Kunde gij zonder fouten schrijven?

Mensen die spelfouten maken, je hebt ze in alle soorten en maten. Ook heel intelligente en/of hoogopgeleide mensen zijn soms slechte spellers. Omdat ze het nooit goed hebben geleerd op school. Omdat ze dyslexie hebben. Omdat het hen geen hol interesseert.

Dat neemt allemaal niet weg dat ik graag zou hebben dat mijn kinderen, waarvan er minstens twee geen dyslexie hebben (over de derde kan ik daarover nog geen uitspraken doen), meer dan behoorlijke spellers worden.

De twee oudsten zijn alvast goed op weg. Leon is net als ik van nature een goede speller (en een gretige lezer, dat speelt ongetwijfeld mee), en maakt slechts zelden een fout. Hij doet me denken aan mezelf toen ik klein was: een kei in spelling, hoewel dat onnozele kofschip en de regel van ‘mondje open, lettertje lopen’ me helemaal niets zeiden. Ik knikte braaf en deed mijn eigen ding, en dat was toch altijd juist.

Robin heeft wat meer moeite gehad met spelling (‘ze weten zo ook wel wat ik bedoel’), maar ging de laatste paar jaar met sprongen vooruit, helemaal vanzelf. Ik krijg al lang geen pijn meer aan mijn ogen als ik zijn teksten lees.

Bij beide jongens ben ik al wel het gevreesde ‘is’ in plaats van ‘eens’ tegengekomen, en ook al ‘men allerliefste mama’. Oké, oké, ik weet niet meer zeker dat er ‘allerliefste mama’ achter kwam. Oké, oké, ik weet het wel nog. Niet dus.

Maar goed, ze zijn er dus nog niet, maar ze komen er wel. Mag ik begot hopen.

En dan is Victor er nog. Ik leer hem lezen, schrijven en spellen met de Alfabetcode, die radicaal anders is dan de traditionele Vlaamse en Nederlandse taalmethodes. Voor mij houdt ze alvast veel steek.

We zijn nog maar sinds september bezig, en zitten nog in de fase van de basiskoppelingen, wat erop neerkomt dat Victor de meest voorkomende letter(combinatie) leert voor alle klanken die in het Nederlands voorkomen.

We doen zo goed als elke dag een klank, en voor hij begint te schrijven, bedenkt hij eerst een paar woorden waar die klank in voorkomt.

Dat gaat meestal gewoon goed, maar soms ook niet. Ik illustreer even met twee voorbeelden:

‘Ken je een woord met een eu, Victor?’
-‘Amai, een eu.’

En enkele dagen later, met de oe:
‘Oemai.’

In een later stadium van het leerproces, ziet juist leren spellen er met de Alfabetcode anders uit dan ‘we verdubbelen de medeklinker na een korte klinker, maar niet bij banaanwoorden natuurlijk, ah nee, en ja, ik weet het, zo zijn er wel veel, hè.’, waarmee ik Robin heb zitten ambeteren (sorry, vriend, ik wist niet beter). Ik geef nog wel eens een update als het zover is.

Of de Alfabetcode effectief is, dat is sowieso nog afwachten. Het zou natuurlijk ook zomaar kunnen dat Victor een spellingstalent is, hoewel wiskunde nog steeds favoriet is hier. Ik heb deze namiddag ruim een half uur sommen voor hem moeten bedenken in de auto, ik weet ook niet waar ik dat aan verdiend heb (‘Jij wou een kind!’, zou hij zelf zeggen).

Ah, en Engels, dat begint ook. Al kan ik niet zeggen dat dat al vlot loopt, want ik hoor hier al weken te pas en te onpas ‘I have can’t’ , en hij zegt zelf ook niet te weten wat dat betekent. Ach ja, het kind lijkt uiterlijk op mij en is rustig en beleefd. Marcels genen moeten zich ook érgens uiten, hè…

Het eerste leerjaar, begot!

Zo goed als dag op dag een jaar geleden schreef ik al eens over het huisonderwijs van Victor. Tijd voor een update, zou ik zeggen, want hij zit nu in het eerste leerjaar en dat is natuurlijk heel andere koek, ah ja.

Wel nee, dat valt nogal mee.

Het overgrote gedeelte van de dag speelt hij, of stelt hij vragen. Hij is trouwens niet meer de hele tijd een politie-inspecteur, maar speelt weer meer met speelgoed (driewerf hoera, want dat behoeft van mij heel wat minder input én we moeten ook geen mislukt Oost-Vlaams accent meer aanhoren). De Legotrein is momenteel favoriet, ik heb geen klachten. Allez ja, bijna geen. Breek me de bek niet open over die Legoblokjes.

Maar goed, wie eerste leerjaar zegt, zegt eigenlijk ook lezen en schrijven. En omdat Victor dat heel graag wil leren, zijn we daar quasi dagelijks mee bezig. Het schrijven gaat hem goed af, wat ik niet echt verwacht had van een kind dat in zijn leven nog niet vaak schrijf- of tekengerief in zijn handen heeft gehad.

Na het schrijven lezen we woordjes met de klanken/letters die hij al geleerd heeft. Hij hakt en plakt sinds vandaag niet meer (als in ‘v… ee… r…’ (pauze) ‘veer!’) maar leest iets vloeiender (‘vvveeeeeerrr’). Al een geluk, want dat tergend traag lezen deed me flashbacks krijgen naar mijn eigen eerste leerjaar met in het bijzonder de lessen klassikaal hardop lezen, waarop iedereen moest aanhoren hoe de anderen leerden lezen.

Eerlijk gezegd zou het qua formeel onderwijs na dat lezen en schrijven wel goed zijn voor mij. Want al de rest doet hij sowieso al uit zichzelf of doen we standaard met (een deel van) het gezin.

Maar goed, Victor vraagt, nee, smeekt, heel vaak om wiskunde te doen. De wiskunde van het eerste leerjaar heeft voor hem geen geheimen meer, maar in het tweede leerjaar is er wel nog wat te leren. Gelukkig maar dat hij daar niet nog elf maanden op moet wachten.

En dus kijken we al eens in een werkboekje van het tweede leerjaar, zodat hij bijvoorbeeld kan uitrekenen hoeveel strips papa wel niet heeft als Freek en Hannah er respectievelijk 28 en 29 hebben en ze er samen precies honderd hebben. Leuk dat hij zoiets vindt, niet normaal.

In ieder geval is dit een heel ander kind dan Robin, die wel veel aanleg heeft voor wiskunde, maar niet gemotiveerd was om enige oefening te maken, en mijn taalvaardige Leon, die ooit vroeg of we wiskunde niet konden wissen.

Uit zichzelf is hij nog bezig met de klok, de maanden van het jaar, de seizoenen, en zonsopkomst en -ondergang en hoe dat doorheen het jaar verandert. Hij doet moeilijke sommen (wel ja, moeilijk is natuurlijk relatief, ik vind ze zelf nu niet bepaald moeilijk), en denkt hardop na over centimeters, meters, kilometers,  kilometers per uur, miles per hour en knopen (dank u, Robin). Hij stelt vragen over maal en gedeeld door. Hij gebruikt procenten (‘Het is 62% zeker dat ik over vijf minuten in bad ga’). Ik weet ook niet waar ik dat aan verdiend heb.

Verder lees ik voor, zowel fictie als non-fictie, en kijken we naar documentaires. Momenteel is alles over de ruimte favoriet, en de serie ‘Er was eens, het leven’ op Netflix, over het menselijke lichaam.

Ook muziek en kunst verliezen we niet uit het oog. We zingen ‘Had je tien miljoen’ van Samson en Gert en verzinnen er soms een andere tekst bij (‘Had je tien miljoen, wat zou jij dan doen? Een schaaaar kopen en Leon zijn haar afdoen’). En hij heeft zowaar iets getekend afgelopen maand. Muzische vorming, check!

Sinds dit schooljaar doet hij met heel veel plezier judo, en we gaan een paar keer per week naar het bos, waar hij fietst terwijl Marcel en ik stappen en/of joggen.

Over het bos geschreven, de laatste keer stonden we even stil bij wat er allemaal van de bomen was gevallen en waarom. Toen Victor later stond te wildplassen, wees Marcel hem erop dat hij zelf ook een eikel had.

Dat was niet helemaal goed blijven hangen, want iets later zei hij:  ‘Mama, ik weet hoe het topje van mijn piemel heet. Een kastanje of zoiets.’

Ik zal Marcel wat wit wegtrekken, want die zag volgens mij een bolster voor zijn geestesoog. Hehe.

Ten slotte nog even een woordje over zijn sociale contacten, waar mensen toch nogal snel bezorgd over zijn als ze horen dat hij thuisonderwijs krijgt, want dat heeft zo de connotatie van ‘altijd thuis zijn bij mama en nooit of te nooit met andere kindjes in contact komen, ocharme zeg’.

Maak je maar geen zorgen, lieve lezer!

Behalve met de buurkinderen en zijn mede-judoka’s, speelt hij naar hartenlust met zijn vriendjes die ook thuisonderwijs doen. Gisteren bijvoorbeeld, zijn hier de hele namiddag drie kinderen op bezoek geweest, die al dan niet samen met Victor zo goed als al het speelgoed hebben uitgehaald en niets hebben opgeruimd. Een win-win, want ze hebben fijn gespeeld, en ik ben weer gemotiveerd om het speelgoed te minimaliseren.

Maar dat is stof voor een andere blogpost. Tot snel!

Geef mij maar vakantie

De paasvakantie is nog maar net achter de rug, en ik kijk alweer uit naar de zomervakantie. Nochtans hoor ik vaak mensen zeggen dat ze als een berg opzien tegen de schoolvakanties. En dat ze toch altijd blij zijn als de kinderen weer naar school mogen, amai zene.

Ik heb dus net het tegenovergestelde.

Misschien zijn mijn kinderen leuker om in huis te hebben dan de gemiddelde kinderen, ik weet het niet. Wel ja, ik weet het eigenlijk wel. Want ook al komen de helft van hun genen van mij, ze kunnen behalve lief en grappig ook heel irritant, onverdraagzaam en lamlendig zijn. En ze laten hier in huis veel rommel achter, en kruimels.

Dus neuh, het is niet altijd een plezier om hen in huis te hebben. Maar toch vind ik het leuker dan dat ze op school zitten.

Dat komt vooral omdat schoolgaande kinderen een aanslag zijn op mijn zo-eenvoudig-mogelijk leven, waar ik het vorige week over had.

Want we moeten op tijd opstaan en dan vooral niet gaan lanterfanten maar vóórtdoen, en dat is ’s morgens niet altijd gemakkelijk.

En er moet gedacht worden aan zwemzakken en aan al dan niet halfvolle brooddozen die nog in rugzakken zitten, en als iemand zijn jas smerig heeft gemaakt, dan moet die altijd heel snel weer gewassen worden, want ze hebben hier maar een jas en ik blijf erbij dat dat gewoon genoeg moet zijn.

Kleine kanttekening: wil je echt niet dat je kind zijn jas smerig maakt op school, stuur hem dan niet naar een natuurschool. En dat geldt ook voor schoenen. Ik zit er zelf totaal niet mee, trouwens, alleen is het soms niet erg praktisch.

Ook dat de kinderen elke dag opgehaald moeten worden zo in het midden van de namiddag steekt me tegen. Ik ben een zeur, ik weet het.

En dan het huiswerk van Robin, dat hij godzijdank maar heel af en toe heeft, maar dat zeker het vermelden waard is omdat het afgelopen weekend nog eens prijs was. Want hij had Frans te doen, en dat is niet zijn lievelingsvak, om het belachelijk zacht uit te drukken.

En dus had hij buikpijn, en deed zijn pols zeer (en dus kon hij er niet mee schrijven, ah nee, natuurlijk niet), en voelde hij zich gefrustreerd en boos, en het weekend duurde al maar twee dagen en dan moest hij nog tijd besteden aan Frans en daar kon hij écht niet tegen en nee, dat hij het had laten liggen tot zondagavond was misschien niet erg slim, maar dat was ook helemaal zijn schuld niet, hoor! Wat denken jullie wel, zeg!

Laat ons zeggen dat ik gisterenavond wel weer extra blij was dat hij naar school gaat, want zulke tirades hebben we hier genoeg gehad toen hij nog thuisonderwijs deed. En op school doet hij het allemaal wel gewoon, en zijn ze lyrisch over hem.

Maar goed, ik verkies dus de vakanties. Waarin iedereen lekker thuis is, want daar zijn we (meestal) nog gewoon het liefst. Waarin we het allemaal rustig aan kunnen doen. Waarin Victor al eens geëntertaind wordt door een of meerdere broers, en dat is altijd mooi meegenomen. Waarin Leon het vaak niet eens de moeite vindt om zijn kleren aan te doen (al een geluk dat hij niet in zijn blootje slaapt). Tenzij het mooi weer is, want dan wordt er buiten gespeeld met de buurkinderen.

Nog negeneneenhalve week en het schooljaar is voorbij. Misschien wil Victor wel een aftelkalender maken als knutselproject. Al hoor ik hem in gedachten al ‘hoeft niet hoor, mama’ zeggen…

Alles op zijn tijd

Ik schreef het al eerder, maar het huisonderwijs van Victor is niet zoals je dat van een kleuter zou verwachten. Want hij houdt niet van knutselen en tekenen, of koekjes bakken en liedjes zingen.

Liever speelt hij gewoon. Of kijkt hij naar de Buurtpolitie of Air Crash Investigation om inspiratie op te doen voor zijn spel. Of denkt hij na. Over letters en cijfers bijvoorbeeld, en wat je daar allemaal mee kunt doen.

Zo begint hij te lezen. Steeds maar heel even, en als hij geen zin meer heeft, gaat hij gokken. Of uit de context afleiden wat het juiste woord zou kunnen zijn.

Ik schreef voor hem ‘papa eet een kom pap’. En toen ging het zo:
‘Papa eet een kom… havermout?’
‘Nee, Victor.’
‘Pudding?’
‘Nee, kijk eens naar de letters.’
‘OK dan… Aah. Pap!’

En toen we in het dikke boek van Vos en Haas lazen, wees ik hem erop dat er een vos getekend stond naast het zinnetje ‘dit is vos.’ Hij zag het, en las toen verder ‘en dit is… konijn!’ En OK, de haas die ernaast stond, leek uiteraard op een konijn. Maar hij had tenminste eens naar de letters kunnen kijken, of zich herinneren dat de titel, die hij net ervoor gelezen had, ‘Vos en Haas’ was.

Ook wiskunde vindt hij leuk. Hij leest intussen echt grote getallen en kan een beetje kloklezen, maar waar hij echt vrolijk van wordt, is van optellen en aftrekken. Ieder zijn hobby, zal ik maar zeggen.

Het lijkt er wel op dat hij de natuurlijke getallen begint te ontgroeien, want afgelopen weekend kreeg ik een triomfantelijk ‘min twee!’ te horen na de vraag ‘Hoeveel is 16 plus 18?’. Wat uiteraard fout was, maar wie geeft er nu ook om het bewerkingsteken, hè zeg?

En gisteren vroeg hij naar kommagetallen, de nerd, maar Marcel legde het zo moeilijk uit dat hij er ne schrik van gepakt heeft. Dat doet me trouwens denken aan die keer dat Marcel met de toen zes- en zevenjarige Leon en Robin een lijndiagram ging maken van de temperatuur van de afgelopen week, en hij even later een enthousiaste uitleg gaf over exponentiële functies. Dat is toen ook niet goed gekomen, nee.

Maar goed, ik zou waarschijnlijk blij moeten zijn met zo veel leerhonger. En dat ben ik ook wel, hoor. Het is alleen dat ik zou willen dat hij zich ook eens zou bezighouden met het leren van wat praktische life skills, zoals zich helemaal zelf aan- en uitkleden, zijn veters strikken of zijn neus snuiten.

Maar nee, daar heeft hij helemaal geen zin in. En dus moeten wij zijn alter ego, de vijfentwintigjarige politie-inspecteur Koen Baetens, al eens helpen met het aantrekken van zijn sokken zodat die precies goed zitten en hij geen naden voelt. Ach ja. Dat heeft ook wel zijn charmes. Heel af en toe dan toch.

Dagplanning deel 1

Ik schreef het al eerder tussen de regels door: ik vind het best zwaar om elke godsganse dag een kind thuis te hebben.

Ik vind het wel nog veel zwaarder om elke dag een kind naar school te brengen, waar het totaal niet krijgt wat het nodig heeft en daardoor diep ongelukkig wordt. Dat heb ik veel te lang met vooral mijn arme Robin gedaan, en als ik daar te lang over nadenk, dan wil ik hem helemaal platknuffelen en nooit meer loslaten, maar dat zou hij ongemakkelijk vinden dus doe ik het maar niet.

Bij Victor, die we even goed Robin 2.0 hadden kunnen noemen, maken we niet dezelfde fout, no way José.  En het gaat goed met hem, hij huppelt hier door het huis en is gewoon blij. Alleen ik dus niet altijd.

Vooral het nooit eens echt alleen kunnen zijn, weegt al eens door.

Want zo’n kind houdt je wel bezig. Ik ben totaal geen knutselmama die al koekjes bakkend kinderliedjes zingt. Dat treft wel, want Victor is ook totaal geen knutselkind, hij houdt niet van kinderliedjes en de koekjes van de winkel vindt hij ook best lekker.

Maar hij heeft wel graag een gesprekspartner die steeds paraat staat om de legovliegtuigen die hij heeft laten crashen mee opnieuw in elkaar te zetten of die zijn zelf bedachte sommen uitrekent. En daar heb ik echt niet altijd zin in.

Ik vind het ook niet leuk om tijdens mijn werk steeds onderbroken te worden door een ‘Weet je hoe snel de snelste auto ter wereld kan?’, een ‘Kijk eens, mama!’, een ‘Kun je mijn broek nog eens binden?’ of een ‘Nee, ik moet niet plassen, ik vind het gewoon leuk om aan mijn piemel te zitten.’

Om eerlijk te zijn wil ik eigenlijk niet bezig zijn met de praktische dingen die bij kinderen horen, en ook niet met de praktische dingen die met het huishouden te maken hebben.

Maar uiteraard heb ik niks te willen. Want de kinderen zijn er, en natuurlijk zou ik ze niet meer kunnen missen. Toch niet permanent. En we moeten eten, er moet opgeruimd worden en de kleren moeten gewassen.

En om daar in de toekomst zo min mogelijk brain space aan op te offeren en om minder achter de feiten aan te hollen (‘Miljaar, ik moet de was nog ophangen!’), maakte ik vandaag een dagplanning. Niet dat ik zo hou van structuur en routine (helemaal niet, eigenlijk), maar een mens moet toch wat als ze niet content is met hoe het nu gaat.

De planning is een hopelijk realistisch idee van hoe de dag vlot zou kunnen lopen. Victor krijgt er structureel echte onverdeelde aandacht, zowel binnen als buiten, zodat hij daarna welgezind zelfstandig kan spelen zonder steeds aandacht te komen vragen. Fingers crossed.

Er staat ook een uur ingepland voor mij, om alleen te gaan wandelen. Nee, niet met een kind op zijn fietske ernaast. Alleen. Marcel staat dat uur in voor Victor, en hij kijkt er zeker keihard naar uit, naar die kostbare vader-zoonmomenten.

En verder begin ik elke dag stipt (bwa ja) om kwart voor vijf aan een gezond en evenwichtig avondmaal, waarvoor Marcel de boodschappen heeft gehaald. Zodat ‘WEERAL BOTERHAMMEN?!?’ ‘Sorry, Robin’ (bijna) niet meer voorkomt.

Over een week of twee laat ik weten of het lukt, de planning volgen. Oftewel: of Victor zich een beetje houdt aan wat ik voor hem voorzien heb. Want ik hoor hem in gedachten al zeggen: ‘Ja maar, ik ben juist zelfstandig en in stilte aan het spelen, waarom moeten we nu naar buiten, zeg?’ OK nee, ik hoor hem eigenlijk iets anders zeggen, maar ik wil niet te negatief doen.

Spannend, hè? Wat een avontuur is mijn leven toch. En dan ga ik nu eens kijken wat we gaan eten. Zucht.

Voorlezen

Als toegewijde ouders namen Marcel en ik vanaf de prille kindertijd van Robin en Leon ruim de tijd voor een verhaaltje voor het slapengaan. Want voorlezen heeft ontzettend veel voordelen.

Zo verruimt het de woordenschat van je kind. Al worden er hier heel veel woorden gebruikt door de kinderen waarvan ik absoluut zeker weet dat we ze nooit hebben voorgelezen.

Het zorgt er ook voor dat kinderen boeken leuk gaan vinden, en dan later zelf graag en veel gaan lezen. Dat is vooralsnog alleen met Leon gelukt, maar dan wel dubbel en dik en intussen zelfs in het Engels, dus ik ga niet klagen.

En het is natuurlijk echt quality time met je kind. Voor het kind dan. Ik werd er persoonlijk niet vrolijk van om na een lange dag voor de honderdste keer hetzelfde verhaaltje voor te lezen aan een peuter of om tijdens het voorlezen ettelijke keren onderbroken te worden door een vragenstellende kleuter. Al liet ik dat natuurlijk niet merken. Meestal toch niet.

Ik heb het hem niet gevraagd, maar ik durf zomaar te stellen dat ook Marcel niet altijd intens genoot van dat voorlezen ’s avonds. Bijvoorbeeld omdat hij meer dan eens in slaap viel tijdens het voorlezen, zomaar middenin een zin. Wat de kinderen niet konden appreciëren (‘PAPA!’).

Robin en Leon zijn de verhaaltjes voor het slapengaan intussen ontgroeid, maar voorlezen is wel altijd een vast onderdeel van ons thuisonderwijs geweest. Het was hun favoriete onderdeel, en het mijne eigenlijk ook, want we hingen dan knus in de zetel, er werd niet gemopperd en de boeken werden naarmate ze ouder werden ook steeds leuker.

Behalve Robin en Leon loopt er hier natuurlijk nog een derde kind rond. Het enige kind dat als peuter en kleine kleuter weinig interesse had in boeken, tenzij er voertuigen of een hikkende kip in stonden, en dan nog. Het enige kind ook dat jarenlang maar zelden het geduld kon opbrengen een verhaaltje uit te zitten.

Ik begon me al zorgen te maken over Victors woordenschat, zijn latere liefde voor boeken en onze gezamenlijke quality time. Nee, niet echt. Maar ik ben wel blij dat het tij een paar maanden geleden gekeerd is. Intussen is voorlezen een rotsvast onderdeel van zijn slaapritueel geworden.

Een paar weken geleden begonnen we in Pluk van de Petteflet. Oftewel Plek van de Putteflut, aldus Marcel, tot hilariteit van Victor. Een boek dat ik al een paar keer had voorgesteld, maar dat steeds op een ‘nee’ van Victor stuitte. Want het was geen leuk boek. En dat vond hij best een weloverwogen oordeel, ook al baseerde hij het alleen op de kaft van het boek.

Maar intussen smult hij ervan, en komt het overdag terug in zijn spel. En sinds we een paar dagen geleden het hoofdstuk over de Lispeltuut lazen, die schelp van Pluk die de ‘s’ als een ‘f’ uitspreekt, heeft hij er een nieuw spelletje bij, waarbij hij helaas wel meer letters door de ‘f’ vervangt. En waarbij hij mij helaas betrekt, want het heet ‘Mama, wat zeg ik?’

‘Fafa if lief.’ (papa is lief),
‘Ik fijf nooit mif.’ (ik wijs nooit mis),
en natuurlijk
‘Fefla model F’ (Tesla model S).

Wat een intellectuele uitdaging is dat ouderschap toch. Ik kan er maar geen genoeg van krijgen.

Opstaan!

Vandaag was de eerste schooldag na de kerstvakantie, en dus moesten we vanochtend weer vroeg uit bed. Dat was wel weer even wennen. Voor mij dan toch.

Ik ben jarenlang geplaagd geweest door kinderen die elke ochtend veel te vroeg opstonden, naar mijn maatstaven dan, en dan niet stil konden zijn.

Zo eens uitslapen, daar deden ze niet aan mee. Ook niet als het de avond ervoor wat later was geworden. Ook niet als ze ’s nachts vaak wakker waren geworden. En ook niet als ze echt nog moe waren, en slechtgehumeurd, lichtgeraakt, huilerig, hangerig of -uiteraard- een combinatie daarvan.

Die veel te lange fase is godzijdank definitief achter de rug.

Ze slapen tegenwoordig alle drie wat langer ’s morgens als het de avond ervoor iets later werd. En dus werd bedtijd deze vakantie naar achteren verschoven, daar deed ik niet moeilijk over.

Want ik ben nooit een vroege vogel geweest, en dat vroege opstaan op schooldagen hangt me de keel uit, hoe blij ik ook ben dat Robin en Leon met plezier naar school gaan.

Ik kan de kinderen moeilijk verplichten weer huisonderwijs te gaan doen, ook al zou ik dat fijn vinden, zo twee onwillige jongens de geheimen van algebra en Franse grammatica bijbrengen. Niet dus.

Maar het moet gezegd: in mijn ogen is een van de grote voordelen van huisonderwijs dat je trage ochtenden kunt hebben. Je moet er ’s morgens niet al te vroeg uit, en je moet ook niet meteen vollen bak ontbijten, aankleden, tanden poetsen en kinderen achter hun vodden zitten. En dat mis ik nu wel.

En dus probeerde ik afgelopen vakantie intens te genieten van die paar uurtjes extra in bed. Want Victor sliep bijna elke ochtend als een roos wat langer uit.

Hij werd alleen niet altijd wakker als een roos.

Want ‘Is een scheet eigenlijk lucht?’ bleek de allereerste vraag te zijn die bij hem opkwam op de laatste dag van 2020. En dat associeer ik zo niet met rozen.

En een paar dagen eerder maakte hij me om 5 uur wakker met een ‘Ik zei toch dat ik in bed heb geplast?! Het is al de tweede keer dat ik het zeg!’

Gelukkig komt dat bedplassen eigenlijk nooit voor, want het was niet bevorderlijk voor ons beider humeur, vooral niet omdat hij ook gewoon klaarwakker was en het heel lang duurde voor hij weer sliep. Maar goed, als je droomt dat je heel dringend moet en dan eindelijk een toilet vindt, ja, dan is het normaal dat je plast, hè.

Dat was wel de enige ochtend (zeg maar nacht) dat hij veel te vroeg wakker was, dus ik mag echt niet klagen.

En van de schoolochtenden mag ik eigenlijk ook niet klagen, want zo ontiegelijk vroeg moet ik er nu ook weer niet uit. Maar ik kijk wel alweer uit naar het weekend, ook al is het pas maandag. Misschien toch maar op tijd gaan slapen vanavond, en mijn me-time opofferen… Neuh.

Een dagje thuis met Victor

Victor gaat niet naar school, en dus is hij de godganse dag thuis, of ergens onderweg met ons, al zijn onze uitstapjes niet om over naar huis te schrijven deze coronatijd.

Dat niet naar school gaan is een bewuste keuze die ik meteen opnieuw zou maken. Maar dat wil niet zeggen dat ik het altijd geweldig leuk vind, zo de hele tijd een kind op mijn dak.

Want hij vreet aandacht. En geduld.

En behalve dat ik ook nog andere dingen moet doen (mijn werk bijvoorbeeld, of misschien eens iets in het huishouden), is het eerlijk gezegd sowieso mijn ding niet om een hele dag op kleuterniveau bezig te zijn. En ik kan me niet inbeelden dat iemand dat wél leuk zou vinden.

Hij vindt dat ik moet kijken naar wat hij met zijn autootjes doet, hoe hoog zijn Kaplagebouwen zijn en hoe hij gaten in zijn broeken slidet in onze living.

Maar het ergste zijn de vele vragen, waarvan ik nog niet de helft kan beantwoorden. Een greep uit die van vandaag:

‘Hoe snel kan een Tesla model X/een Bugatti Chiron/een Ford GT/onze auto?’ Daarop kent hij het antwoord zelf, maar hij checkt graag even of ik het ook (nog) weet. Niet dus.

‘Als je een vijf, een drie, een twee, een drie, een vier, een zes, een acht, een negen, een negen en een zeven hebt, welk getal is dat dan?’

‘Waar is dat grijs legoblokje waar taxi op staat?’

‘Als er twee van je drie kinderen dood zouden gaan, en jij moet kiezen wie, wie zou je dan kiezen? Je MOET kiezen. Wie? Nee, je moet echt kiezen, het moet gewoon. Wie? Robin en Leon? Ja hè?’

‘Welk cadeau had ik ook alweer voor mijn vierde verjaardag gekregen?’

‘Zitten er stukjes in dat yoghurtje?’

En terwijl hij met zijn vinger een rare beweging in de lucht maakt: ‘Welke letter is dit?’

En nee, Google weet het ook niet.

Maar hij is wel lief, allez ja, meestal toch. Knuffelt graag en zegt vaak dat ik zo’n lieve mama ben. Ziet er nog superschattig uit. Is nog zo heerlijk onschuldig. En grappig ook, echt wel.

Maar toch ben ik altijd blij als hij slaapt. Wat vanavond pas laat zal zijn, want hij deed deze middag een dutje in de auto. Aargh.

Monopoly

In het kader van gezellig iets samen doen met bijna het hele gezin, deden we gisteren een potje Monopoly. Ik zeg wel met bijna het hele gezin, want Marcel haat gezelschapsspelletjes, dus die deed als vanouds niet mee en nam wat me-time.

Als ik kan kiezen tussen tijd voor mezelf of een spel spelen, dan weet ik het ook wel, maar goed, ik kon eigenlijk niet kiezen. En zo had ik toch nog eens kwalitatieve, onverdeelde aandacht voor de kinderen, en dat kan niet slecht zijn. En morgen ben ik jarig, en dan gaat Marcel zeker wel iets met Victor doen, zodat ik een paar uurtjes voor mezelf heb. Denk ik. Hoop ik.

Maar goed, we deden dus een spel. Een leuke bijkomstigheid aan gezelschapsspelletjes is dat kinderen er vanalles van leren zonder dat het schools wordt, of saai. Zo ook gisteren. Monopoly is voor Victor nog te hoog gegrepen, maar hij zat bij mij in het team en dat vond hij prima.

Als wij aan de beurt waren, liet ik Victor uiteraard zo veel mogelijk zelf doen. Dat was voor mij een oefening in geduldig zijn, en voor hem een oefening in heel veel andere dingen.

Een niet-limitatieve opsomming:

  • Zachtjes gooien met de dobbelstenen, zodat je ze niet aan de andere kant van de living moet gaan zoeken.
  • Het aantal ogen op de dobbelsteen meteen linken aan een getal, en de twee getallen optellen om te kijken hoeveel vakjes je de pion mag verzetten. Als pion had hij de boot gekozen, en daarmee zet je blijkbaar geen stapjes op het spelbord, maar vaar je. En al varend is het moeilijker om de vakjes te tellen, dat werd al snel duidelijk.
  • Optellen. Wij hebben een oldskool Monopoly-editie met bankbiljetten die van 1 tot 500 gaan. Als we iets moesten betalen, zocht Victor met veel plezier de juiste biljetten bij elkaar zodat de som klopte.
  • De namen van de belangrijkste Nederlandse steden. Want we hebben dus de Nederlandse versie van Monopoly, iets met online gekocht en niet goed gekeken. Marcel vond die ook prima, dus we hebben ze gehouden, maar toch vind ik het nog altijd spijtig dat er bij ons geen Aalst, Lange Zoutstraat op het spelbord staat. Ach ja.
  • Engels. Met onze anglofiel Leon in de buurt, is Engels nooit veraf (dat kind heeft sinds een paar maanden Engelssprekende legomannetjes), en als je er een spel mee speelt, krijg je bijkans een taalbad. Toen hij zijn biljetten van een bij de bank inwisselde, hoorde ik hem zeggen: ‘Hashtag getting rid of my ones’. You gotta love that kid.
  • Je concentreren, min of meer stilzitten en niet onnozel doen. Zucht. Laat ons zeggen dat hij duidelijk nog een kleuter is (en dat mag natuurlijk ook gewoon). Als we niet aan de beurt waren, hing hij als een aapje op die lieve, geduldige Robin. En hij vond het een geweldig goeie grap om al ons geld in de pot te doen toen ik even niet keek.

Victor leerde dus heel wat, en dat op een rustdag! Maar halverwege had hij wel genoeg van dat tergend lang durende Monopoly, en is hij iets anders gaan doen. Heel begrijpelijk, ik wou eigenlijk ook iets anders gaan doen. Maar dat deed ik niet, en ik werd beloond met een triomfantelijke overwinning. En toch was er niemand slechtgezind. Hoera.

Afstandsonderwijs is geen huisonderwijs

Hoera, herfstvakantie! Stiekem vind ik het best goed dat ze een week verlengd werd, en dan bedoel ik niet alleen uit coronaoverwegingen. Want hoewel Robin en Leon graag naar school gaan, is deze pauze meer dan welkom.

‘Het zou beter zijn als het altijd vier dagen school was en drie dagen weekend, hè?’ Ja, jongen, dat vind ik ook al zo’n dertig jaar.

Robin kreeg deze vakantie extra bundels wiskunde en Frans mee, voor als de scholen onverhoopt toch nog langer dicht blijven.

En dat doet me denken aan de lockdown afgelopen lente, toen de scholen effectief een hele tijd sloten. Toen zo veel mensen me aanspraken over thuisonderwijs.

‘Amaai, ik heb wel echt respect voor jou gekregen hoor, nu ik weet wat dat is, thuisonderwijs geven.’
‘Pfff, niks voor mij, dat thuisonderwijs. Ik snap niet dat jij daarvoor kiest.’
En vooral:
‘Voor jullie is die lockdown geen verandering zeker hè, jullie waren toch al altijd thuis.’

De term thuisonderwijs gebruiken voor het afstandsonderwijs van vorig schooljaar, tja, dat zou wat mij betreft bij wet verboden moeten worden. Want mensen hádden al zo’n verkeerd beeld van thuisonderwijs, en dat is intussen alleen nog versterkt.

De enige gelijkenis die ik zie tussen dat afstandsonderwijs en de manier waarop wij thuisonderwijs deden (en in de toekomst wellicht met Victor zullen doen), is dat er niet naar school werd gegaan.

Want eerst en vooral wil thuisonderwijs niet zeggen dat je altijd maar thuis bent, zo gezellig aan de keukentafel met je neus in de boeken. Verre van. Met die lockdown konden ook mijn kinderen opeens niet meer naar hun hobby’s, moesten ze hun vrienden en familie missen en vielen al onze uitstappen weg. En daar werd niemand vrolijk van.

Ten tweede kozen wij bewust voor thuisonderwijs, en hadden we de tijd en de vrijheid om uit te vissen welke manier van onderwijs bij ons en onze kinderen paste.

Verplichte Zoomsessies en ellenlange rijtjes oefeningen dus niet. Ik vraag me af bij wie wel.

In ieder geval renden mijn kinderen net niet hard gillend weg van werkboeken en -blaadjes. En dus lieten we die zo veel mogelijk achterwege, en zocht ik naar leukere manieren om met de verplichte leerstof bezig te zijn.

Ze maakten een spel met quizvragen over het oude Egypte. Ze rekenden uit hoeveel (hypothetische!) nakomelingen onze bende konijnen na een jaar zouden kunnen hebben. Ze speelden Wie is het? in hun Frans-met-haar-erop. Om maar een paar voorbeelden te noemen.

En daarnaast deden ze ook wel eens gewoon saaie oefeningen, hoor, ik wil het niet mooier voorstellen dan het was.

Dus was het hier altijd een gezellige boel? Hell no.

‘Frans is stom!’
‘Hoofdrekenen heeft echt geen nut. Dat reken je toch gewoon uit met je smartphone later?’
‘Ze begrijpen toch wel wat ik bedoel hè zeg, dat dat fout geschreven is boeit niet!’

Hier werd gezeurd, op andermans schrift gekrabbeld, gezucht en meer op mijn zenuwen gewerkt dan ik ooit had kunnen vermoeden. Maar het was beter dan enig afstandsonderwijs in lockdowntijden ooit kan zijn. En echt totaal niet te vergelijken.