Kunde gij zonder fouten schrijven?

Mensen die spelfouten maken, je hebt ze in alle soorten en maten. Ook heel intelligente en/of hoogopgeleide mensen zijn soms slechte spellers. Omdat ze het nooit goed hebben geleerd op school. Omdat ze dyslexie hebben. Omdat het hen geen hol interesseert.

Dat neemt allemaal niet weg dat ik graag zou hebben dat mijn kinderen, waarvan er minstens twee geen dyslexie hebben (over de derde kan ik daarover nog geen uitspraken doen), meer dan behoorlijke spellers worden.

De twee oudsten zijn alvast goed op weg. Leon is net als ik van nature een goede speller (en een gretige lezer, dat speelt ongetwijfeld mee), en maakt slechts zelden een fout. Hij doet me denken aan mezelf toen ik klein was: een kei in spelling, hoewel dat onnozele kofschip en de regel van ‘mondje open, lettertje lopen’ me helemaal niets zeiden. Ik knikte braaf en deed mijn eigen ding, en dat was toch altijd juist.

Robin heeft wat meer moeite gehad met spelling (‘ze weten zo ook wel wat ik bedoel’), maar ging de laatste paar jaar met sprongen vooruit, helemaal vanzelf. Ik krijg al lang geen pijn meer aan mijn ogen als ik zijn teksten lees.

Bij beide jongens ben ik al wel het gevreesde ‘is’ in plaats van ‘eens’ tegengekomen, en ook al ‘men allerliefste mama’. Oké, oké, ik weet niet meer zeker dat er ‘allerliefste mama’ achter kwam. Oké, oké, ik weet het wel nog. Niet dus.

Maar goed, ze zijn er dus nog niet, maar ze komen er wel. Mag ik begot hopen.

En dan is Victor er nog. Ik leer hem lezen, schrijven en spellen met de Alfabetcode, die radicaal anders is dan de traditionele Vlaamse en Nederlandse taalmethodes. Voor mij houdt ze alvast veel steek.

We zijn nog maar sinds september bezig, en zitten nog in de fase van de basiskoppelingen, wat erop neerkomt dat Victor de meest voorkomende letter(combinatie) leert voor alle klanken die in het Nederlands voorkomen.

We doen zo goed als elke dag een klank, en voor hij begint te schrijven, bedenkt hij eerst een paar woorden waar die klank in voorkomt.

Dat gaat meestal gewoon goed, maar soms ook niet. Ik illustreer even met twee voorbeelden:

‘Ken je een woord met een eu, Victor?’
-‘Amai, een eu.’

En enkele dagen later, met de oe:
‘Oemai.’

In een later stadium van het leerproces, ziet juist leren spellen er met de Alfabetcode anders uit dan ‘we verdubbelen de medeklinker na een korte klinker, maar niet bij banaanwoorden natuurlijk, ah nee, en ja, ik weet het, zo zijn er wel veel, hè.’, waarmee ik Robin heb zitten ambeteren (sorry, vriend, ik wist niet beter). Ik geef nog wel eens een update als het zover is.

Of de Alfabetcode effectief is, dat is sowieso nog afwachten. Het zou natuurlijk ook zomaar kunnen dat Victor een spellingstalent is, hoewel wiskunde nog steeds favoriet is hier. Ik heb deze namiddag ruim een half uur sommen voor hem moeten bedenken in de auto, ik weet ook niet waar ik dat aan verdiend heb (‘Jij wou een kind!’, zou hij zelf zeggen).

Ah, en Engels, dat begint ook. Al kan ik niet zeggen dat dat al vlot loopt, want ik hoor hier al weken te pas en te onpas ‘I have can’t’ , en hij zegt zelf ook niet te weten wat dat betekent. Ach ja, het kind lijkt uiterlijk op mij en is rustig en beleefd. Marcels genen moeten zich ook érgens uiten, hè…

Het eerste leerjaar, begot!

Zo goed als dag op dag een jaar geleden schreef ik al eens over het huisonderwijs van Victor. Tijd voor een update, zou ik zeggen, want hij zit nu in het eerste leerjaar en dat is natuurlijk heel andere koek, ah ja.

Wel nee, dat valt nogal mee.

Het overgrote gedeelte van de dag speelt hij, of stelt hij vragen. Hij is trouwens niet meer de hele tijd een politie-inspecteur, maar speelt weer meer met speelgoed (driewerf hoera, want dat behoeft van mij heel wat minder input én we moeten ook geen mislukt Oost-Vlaams accent meer aanhoren). De Legotrein is momenteel favoriet, ik heb geen klachten. Allez ja, bijna geen. Breek me de bek niet open over die Legoblokjes.

Maar goed, wie eerste leerjaar zegt, zegt eigenlijk ook lezen en schrijven. En omdat Victor dat heel graag wil leren, zijn we daar quasi dagelijks mee bezig. Het schrijven gaat hem goed af, wat ik niet echt verwacht had van een kind dat in zijn leven nog niet vaak schrijf- of tekengerief in zijn handen heeft gehad.

Na het schrijven lezen we woordjes met de klanken/letters die hij al geleerd heeft. Hij hakt en plakt sinds vandaag niet meer (als in ‘v… ee… r…’ (pauze) ‘veer!’) maar leest iets vloeiender (‘vvveeeeeerrr’). Al een geluk, want dat tergend traag lezen deed me flashbacks krijgen naar mijn eigen eerste leerjaar met in het bijzonder de lessen klassikaal hardop lezen, waarop iedereen moest aanhoren hoe de anderen leerden lezen.

Eerlijk gezegd zou het qua formeel onderwijs na dat lezen en schrijven wel goed zijn voor mij. Want al de rest doet hij sowieso al uit zichzelf of doen we standaard met (een deel van) het gezin.

Maar goed, Victor vraagt, nee, smeekt, heel vaak om wiskunde te doen. De wiskunde van het eerste leerjaar heeft voor hem geen geheimen meer, maar in het tweede leerjaar is er wel nog wat te leren. Gelukkig maar dat hij daar niet nog elf maanden op moet wachten.

En dus kijken we al eens in een werkboekje van het tweede leerjaar, zodat hij bijvoorbeeld kan uitrekenen hoeveel strips papa wel niet heeft als Freek en Hannah er respectievelijk 28 en 29 hebben en ze er samen precies honderd hebben. Leuk dat hij zoiets vindt, niet normaal.

In ieder geval is dit een heel ander kind dan Robin, die wel veel aanleg heeft voor wiskunde, maar niet gemotiveerd was om enige oefening te maken, en mijn taalvaardige Leon, die ooit vroeg of we wiskunde niet konden wissen.

Uit zichzelf is hij nog bezig met de klok, de maanden van het jaar, de seizoenen, en zonsopkomst en -ondergang en hoe dat doorheen het jaar verandert. Hij doet moeilijke sommen (wel ja, moeilijk is natuurlijk relatief, ik vind ze zelf nu niet bepaald moeilijk), en denkt hardop na over centimeters, meters, kilometers,  kilometers per uur, miles per hour en knopen (dank u, Robin). Hij stelt vragen over maal en gedeeld door. Hij gebruikt procenten (‘Het is 62% zeker dat ik over vijf minuten in bad ga’). Ik weet ook niet waar ik dat aan verdiend heb.

Verder lees ik voor, zowel fictie als non-fictie, en kijken we naar documentaires. Momenteel is alles over de ruimte favoriet, en de serie ‘Er was eens, het leven’ op Netflix, over het menselijke lichaam.

Ook muziek en kunst verliezen we niet uit het oog. We zingen ‘Had je tien miljoen’ van Samson en Gert en verzinnen er soms een andere tekst bij (‘Had je tien miljoen, wat zou jij dan doen? Een schaaaar kopen en Leon zijn haar afdoen’). En hij heeft zowaar iets getekend afgelopen maand. Muzische vorming, check!

Sinds dit schooljaar doet hij met heel veel plezier judo, en we gaan een paar keer per week naar het bos, waar hij fietst terwijl Marcel en ik stappen en/of joggen.

Over het bos geschreven, de laatste keer stonden we even stil bij wat er allemaal van de bomen was gevallen en waarom. Toen Victor later stond te wildplassen, wees Marcel hem erop dat hij zelf ook een eikel had.

Dat was niet helemaal goed blijven hangen, want iets later zei hij:  ‘Mama, ik weet hoe het topje van mijn piemel heet. Een kastanje of zoiets.’

Ik zal Marcel wat wit wegtrekken, want die zag volgens mij een bolster voor zijn geestesoog. Hehe.

Ten slotte nog even een woordje over zijn sociale contacten, waar mensen toch nogal snel bezorgd over zijn als ze horen dat hij thuisonderwijs krijgt, want dat heeft zo de connotatie van ‘altijd thuis zijn bij mama en nooit of te nooit met andere kindjes in contact komen, ocharme zeg’.

Maak je maar geen zorgen, lieve lezer!

Behalve met de buurkinderen en zijn mede-judoka’s, speelt hij naar hartenlust met zijn vriendjes die ook thuisonderwijs doen. Gisteren bijvoorbeeld, zijn hier de hele namiddag drie kinderen op bezoek geweest, die al dan niet samen met Victor zo goed als al het speelgoed hebben uitgehaald en niets hebben opgeruimd. Een win-win, want ze hebben fijn gespeeld, en ik ben weer gemotiveerd om het speelgoed te minimaliseren.

Maar dat is stof voor een andere blogpost. Tot snel!

Lugubere kinderen

Ik ben een beetje een watje. Als op tv de waarschuwing ‘niet voor gevoelige kijkers’ verschijnt, dan kijk ik meestal wel verder, maar dan met een klein hartje.

Ik wil geen operaties in detail bekijken, en al zeker niet als de chirurg aan de slag gaat met hamer en beitel.  Ik hoef geen beelden te zien van wat er in slachthuizen gebeurt. Zwijg me alsjeblieft over de gruweldaden van IS, de nazi’s of de Rode Khmer. En ook al is het fictie, ook thrillers of horrorfilms kunnen me helemaal niet bekoren.

Marcel is eigenlijk net zo, alleen misschien een pietsie beetje stoerder. Misschien.

Dus wat dat is met die kinderen van ons, ik zou het begot niet weten.

Misschien hebben ze een rare genmutatie of zijn ze verwisseld bij hun geboorte of zo, want ze doen alle drie bij tijden nogal luguber, en dat hebben ze niet van ons.

Robin bijvoorbeeld, stelt al jaren dezelfde, niet voor de hand liggende vraag als Marcel en ik het eens hebben over iemand die hij niet kent.

‘Leeft die nog?’

Leon is er eentje die houdt van Netflix-series waarvoor hij eigenlijk nog te jong is, met zombies en zo, en in een Legostad die hij ooit bouwde, vond ik een Legomannetje hangend aan een zelfgebouwde galg.

En Victor deed een paar weken geleden een uitspraak waar mijn haar net niet recht van kwam. Kort na Robins dertiende verjaardag afgelopen zomer, vond volgende conversatie plaats, gezellig tijdens het eten:

Victor: ‘Over acht jaar heb ik Robin ingehaald.’
Ik: ‘Euh, Robin wordt ook steeds ouder, hè. Over acht jaar is hij nog altijd bijna zeven jaar ouder dan jij.’
Victor (glimlachend): ‘Ja, tenzij hij straks door zijn hoofd geschoten wordt en doodgaat, zoals Peter R. de Vries.’

Lieve lezers die denken aan vroege tekenen van psychopathie, kunnen op hun beide oren slapen.

Want het zijn echt eerlijk waar alle drie lieve, zorgzame, empathische jongens die geen vlieg kwaad zouden doen. Behalve elkaar dan, maar ook dat blijft vooralsnog ruim binnen de grenzen van het normale.

Dus geen Ted Bundy’s in de dop hier, hoor, geen paniek. En mocht er iets veranderen, dan laat ik het wel weten.

Terug van weggeweest

Na ruim anderhalve maand radiostilte wordt het zo wel eens tijd mijn blog weer aan te zwengelen. Want wat moet ik anders met die eindeloze vrije tijd nu Robin en Leon weer naar school zijn…

Nee, niet echt. Want Victor is nog lekker thuis, en die voelt zich toch weer een beetje verloren zo zonder zijn grote broers, en natuurlijk rekent hij ook op mij voor zijn broodnodige onderwijs. En ik werk natuurlijk ook nog. En dan dat huishouden… Aargh.

De zomervakantie was hier niet spectaculair, maar toch een welkome rustpauze na het lange schooljaar. We zijn tot Robins grote ongenoegen niet op vakantie geweest. We hebben ook veel minder daguitstappen gedaan dan we van plan waren te doen. Dat kwam omdat het weer niet altijd meezat, en ook omdat vooral de oudste twee jongens ook niet altijd meezaten.

Want Marcel en ik houden niet zo van autoritten met twee (halve) pubers die op elkaar vitten, elkaar uitlachen, elkaar pesten, elkaar uitschelden, of, oh nee, elkaar fysiek aanvallen. En dan daarbij nog een zesjarige die geregeld op een zagerig toontje meedeelt dat Robin en/of Leon irritaaaant doen, tja, nou, nee dankjewel.

Wat we wel hebben gedaan deze zomer, is een kamerwissel.

Marcel, Victor en ik zijn van slaapkamer veranderd en verhuisden van de gelijkvloers naar boven, waar ook de slaapkamers van Robin en Leon zijn. Er was nog een kamer vrij boven, die als speelkamer dienst deed. ’t Is te zeggen, al onze Lego stond er opgeslagen, met nog wat ander speelgoed ook, maar gespeeld werd er niet echt. Want Robin speelt niet meer met speelgoed, Leon vond het zo ongezellig zo ver van ons vandaan (heel begrijpelijk) en Victor durfde er niet eens alleen te komen, zelfs niet op klaarlichte dag. Want oh, eng, een andere verdieping, hoor!

Enfin, we maakten een slaapkamer van de speelkamer, en verplaatsten de Lego naar de gelijkvloers. En dat nam veel meer tijd in beslag dan ik optimistisch had ingeschat. Maar we ruimden meteen ook kasten op en ik doneerde al het speelgoed waar niet meer mee gespeeld wordt. Zalig.

Ik presenteer u met trots onze nieuwe slaapkamer (de foto’s zijn al ietwat verouderd, want intussen zijn er nachtlampjes en ligt er een boek, maar ik was te lui om nieuwe foto’s te gaan maken):

Het is uiteraard nog niet perfect. Naast Victors bed is nog een elektriciteitsprobleempje dat Marcel nog gaat oplossen, maar er is geen elektrocutiegevaar, en dat is al veel. En dat kamerbreed tapijt, tja, dat is ook niet ideaal, maar ook een project voor later. Net als de aansluiting van de tv.

Maar voor nu zijn we tevreden. Het is een rustige kamer (hoera, minimalistisch!), we slapen er lekker en we hebben nu een mooi uitzicht op onze perfect onderhouden tuin (wel ja, op onze tuin), in plaats van op de straat. Ideaal.

Onze oude slaapkamer werd dan de speelkamer/dressing (want de kleren van Marcel en mij zitten er nog in de kast), en dat is ook een succes. Victor en Leon hebben er al heel fijn gespeeld, de Lego heeft een gebruiksvriendelijke plek gekregen en in de kasten is er stofvrij plaats voor gemaakte bouwwerken.

Kijk maar!

Ziezo, en met deze bijna Pinterestwaardige foto neem ik afscheid voor nu. Maar wanhoop niet, want ik schrijf snel weer iets, beloofd!

Inspiratieloos en ongemotiveerd

Toen ik deze blog zo’n tien maanden geleden begon, had ik inspiratie te over en kon ik niet wachten de wereld te verblijden met mijn zielenroerselen. Of toch zoiets.

Nu? Not so much. Het schrijven van een blogpost wordt steeds vaker een item op mijn to-dolijstje dat ik steeds weer vooruit schuif. En dat kan niet de bedoeling zijn.

Ik weet niet waar het precies aan ligt, dat gebrek aan inspiratie en motivatie, maar wat ik wel weet, is dat de kinderen heelder dagen thuis zijn en een spoor van rommel en kruimels achterlaten.

Dat ze veel te laat gaan slapen naar mijn normen en zo mijn broodnodige me-time afpakken.

En dat ik dat meer dan zat ben.

In de naar mijn gevoel schaarse vrije tijd die ik heb, wil ik wel achter mijn computer kruipen, hoor, daar niet van.  Maar dan niet om een blogpost te schrijven (maar wel om YouTubefilmpjes te bingen).

Speciaal voor jou, lieve lezer, kruip ik toch nog maar eens in mijn virtuele pen, al heb ik eigenlijk niets te melden.

Het leven gaat hier zijn gewone gangetje.

Marcel en ik proberen tussen Victors onderbrekingen door wat werk te verzetten en het huis min of meer leefbaar te houden.

Victor zelf maakt de buurt (en huis en tuin) nog steeds veilig in zijn politiepak en met zijn pistool in de aanslag.

Leon verplaatst zich tussen zijn Lego, boeken en Minecraft, terwijl Robin hetzelfde doet met zijn dieren, step en smartphone. En tussendoor maken ze ruzie.

Neem je kinderen kort op elkaar, zeiden ze, dan groeien ze fijn samen op.

En ze zijn intussen te groot voor de vondelingenschuif, en in een mandje op de Dijle gaan ze ook niet braaf blijven liggen.

Nu, geen paniek, ik heb er een goed oog in dat ik binnenkort weer écht zin heb om te schrijven. Als het zonneke weer schijnt, en als ik eens een week kindvrij ben geweest of zo, of alleen op vakantie. En tot dan kun je altijd oude blogposts herlezen, natuurlijk, of me spammen met interessante blogonderwerpen ;-).

Het voorbije schooljaar

Ik ben niet het type om nostalgisch te mijmeren over het verleden, maar zo aan het begin van de zomervakantie, vond ik het toch een mooi moment om eens terug te blikken op het voorbije schooljaar.

Robin en Leon zijn na vierenhalf jaar thuisonderwijs net weer een jaar naar school geweest, en dat is goed gegaan, dus we zijn blij.

Het was wel weer even aanpassen voor de kinderen, zo elke dag weer vroeg opstaan en een pak minder vrije tijd hebben.

Meer dan eens hoorde ik de volgende woorden nadat ik er een kind attent op maakte dat het aan hem was om de tafel te dekken/de afwasmachine leeg te maken/een ander huishoudelijk taakje te doen dat maar luttele minuten vergt:

‘Zeg, ik ben de héle dag naar school geweest hoor, nu moet ik met rust gelaten worden!’

En vreemd genoeg hoorde ik op zaterdag en zondag deze variant:

‘Het is nu weekend hè zeg, nu wil ik kunnen genieten.’

En er werd ook gezegd dat Marcel en ik écht niet wisten wat dat was, zo elke dag naar school gaan. Nee, kind, wij waren altijd lui thuis en mochten ons diploma gratis en voor niks gaan afhalen op het gemeentehuis…

Maar goed, behalve energie nemen, bracht de school ons ook veel het voorbije schooljaar:

– Meer tijd vrij voor mij(n werk), want ik moest niet meer wanhopig proberen leerstof Frans in ongemotiveerde puberhersenen te krijgen. Daar kruipt veel tijd in, hoor. Maar dat mochten ze nu op school oplossen.

– Voor de allereerste keer luizen bij een mijner zonen, die waarschijnlijk anoniem wenst te blijven.

– Een hernieuwde waardering van Victor voor zijn grote broers, én omgekeerd. Er werd leuker samengespeeld dan ooit tevoren.

– Mijn eerste ervaring als lid van een Whatsapp-groepje voor moeders. Hopelijk ook mijn laatste…

– Nieuwe woorden hier in huis: bruh, kaulo, gay of de combinatie daarvan en gast en guy, vaak ook als aanspreking. Wat een heerlijke verruiming van hun woordenschat.

– De wetenschap dat mijn kinderen op een ander leuke, beleefde, enthousiaste en vriendelijke kinderen zijn. Die met iedereen overeenkomen, zeg.  Op een ander dus, hè. Hier thuis kunnen ze elkaars (en soms mijn en Marcels) bloed wel drinken…

Maar genoeg over school, het is vakantie nu, en daar is lang en hard naar uitgekeken. Hopelijk wordt het een vakantie met weinig ruzie en schermen, en veel tijd buiten met vriendjes of op onze zitmaaier. Ik laat het je nog weten!

Een klas op bezoek

Begin deze week ging de klas van Leon op kamp. Ze gingen te voet van de school naar een domein met boomgaard zo’n tien kilometer verder, waar ze gratis en voor niks twee nachten hun tentjes mochten zetten.

De voorbereiding van het kamp werd deels overgelaten aan de kinderen. Zo stelde een groepje de planning op, bedachten een paar anderen wat er gegeten zou worden, zamelde een groepje geld in (Victor is intussen de niet-erg-trotse eigenaar van een door die kinderen gemaakt vriendschapsbandje dat nog in de auto ligt te slingeren, het boeide hem echt helemaal niks) en ten slotte stippelde een groepje de te wandelen route uit.

Leon zat in dat laatste groepje. En dus vroeg de moeder van een klasgenootje de dag voor het kamp of ik even aan Leon kon vragen hoe ze precies gingen wandelen, want ze wou de weg graag eens met de fiets afleggen.

Leon wist er niet veel zinnigs over te vertellen. Wat me niet verbaast, want hoewel best intelligent, komt het al eens voor dat dat kind in het centrum van onze eigen gemeente vraagt of we nog ver moeten rijden voor we thuis zijn. Zelfs Victor rolt dan met zijn ogen.

Een paar dagen voor het kamp, was er een online meeting met de juf en alle ouders voor eventuele vragen en om nog een paar praktische dingen te regelen. De juf vertelde kort hoe er gewandeld zou worden, en sprak toen de volgende woorden:

‘En dan passeren we even langs Leons huis, dat leek hem echt een leuk idee. Ik hoop dat dat goed is voor de ouders van Leon?’

De juf zei dat het alleen de bedoeling was om de drinkbussen te vullen en even naar het toilet te gaan. Maar Marcel had meteen al andere plannen en vroeg zich luidop af wat we zouden kunnen voorzien om de kinderen en hun begeleiders toch een beetje in de watten te leggen.

Het woord ijsje viel, maar was nog niet koud toen ik al een bezorgd appje kreeg van een moeder wier kind een koemelkallergie heeft. En hij kan ook niet tegen gluten.

Geen ijsje dus, maar het was er toch ook echt geen weer voor.

Maandag om iets voor twaalf kwamen ze aan, drie begeleiders en veertien in fluohesjes gehulde kindertjes met zo goed als allemaal kletsnatte schoenen en sokken (het lange gras onderweg was nogal nat geweest).

Ze waren hongerig (maar niet moe), en aten in onze veranda hun lunch, die ze godzijdank zelf hadden meegebracht. Ze kregen er van ons een versgeperst sapje bij en een voedzame banaan. Want daar kan je niet veel verkeerd mee doen, toch? Wel ja, een kind was blijkbaar wel allergisch aan bananen, maar hij wist het al, hoor, het is niet dat hij er maandag pas achter kwam. Oef zeg.

En daarna gingen ze met hun natte kousenvoeten naar het toilet aan de andere kant van ons huis, en gingen er een paar met hun natte kousenvoeten even boven kijken naar Leons kamer, en ook naar mijn computer, waar Leon Minecraft op speelt. Ach ja. Ik liet het maar los.

Gelukkig hebben we een grote tuin en werden ze door de juffen gesommeerd om naar buiten te gaan. De trampoline was een succes, politieagent Victor ook, en ook onze konijnen hadden al snel een hele schare kinderen om zich heen.

Ze zijn hier een uur of drie geweest, en het was bijna met pijn in het hart dat we afscheid namen en ze hun tocht naar de kampeerplaats verderzetten. Bijna.

We bleven achter in een huis vol niet-zo-erg-kleine voetafdrukken en een hele hoop bananen, want die waren niet erg in trek geweest bij de kinderen. En dus ben ik genoodzaakt om morgen nog eens te proberen gerezen bananenbrood te bakken. Mijn jongens kunnen al niet meer wachten…

Zes

Afgelopen week werd Victor zes jaar. Zes jaar geleden zaten we hier dus voor het laatst met een vers borelingske in onze armen en donkere wallen onder onze ogen.

Ik had beter toen ook al een blog gehad, dan kon ik nu gaan teruglezen hoe vreselijk vermoeiend die babytijd toch altijd is, en had ik zeker niet meer af en toe toch nog een pietsie beetje zin in nog een lief, klein boeleke. Wat er niet gaat komen, voor alle duidelijkheid.

Maar goed, ik had toen geen blog, want ik had zo goed als geen tijd voor mezelf, en ook helemaal geen fris hoofd. Maar nu heb ik er wel een, en dus kan ik hier schrijven over hoe Victor is, zo rond zijn zesde verjaardag, om later te kunnen teruglezen. Want anders weet ik dat over een paar jaar niet meer, en zou ik misschien zo zot zijn om eens te willen babysitten op een kind van die leeftijd.

Moest ik kort willen zijn, dan zou ik gewoon schrijven dat hij nog altijd in de ban van de politie is.

Maar kort is mijn stijl zo niet. Vraag maar aan Marcel, die geregeld klaagt dat hij lang niet zo veel woorden nodig heeft om hetzelfde te zeggen. Saaie zeurpiet dat hij is. Soms.

Maar goed, het is dus nog steeds allemaal de politie wat de klok slaat hier. Ik weet dat ik het daar al verschillende keren over gehad heb in mijn blog, maar het is nu eenmaal een groot deel van mijn leven geworden, dus het moet maar weer.

Voor zijn verjaardag kreeg Victor een politiepet, een plastieken pistool dat de juiste kleur heeft om voor dienstwapen door te gaan en een politiepak. Dat pak is eigenlijk een pyjama omdat ik geen zweterig verkleedpak wou kopen waar hij dan heelder dagen in zou rondlopen. Maar het ziet er dus wel uit alsof het van de politie is, van de Nederlandse politie dan. Een Belgische versie was niet te vinden, volgens mij een gat in de markt. Victor is zeker niet het enige Belgische kind dat aan niets anders meer kan denken dan aan de politie.

Ik overdrijf echt niet als ik zeg dat hij van ’s morgens tot ’s avonds in zijn rol van politieagent zit. Hij is trouwens geen zes geworden, maar zesentwintig, en hij werkt al zes jaar bij de politie. Het is maar dat je het weet.

Hij staat op, trekt zijn politiepyjama aan, en begint aan een nieuwe dag, vol verantwoordelijkheidszin en motivatie om van de wereld een betere plek te maken. Hij beantwoordt oproepen en gaat naar buiten om achter overvallers, moordenaars en dieven te gaan. In die pyjama dus. Wat zullen de buren wel niet denken, zeg? Ik kan het me eerlijk gezegd niet aantrekken.

Hij blijft nooit erg lang buiten, en in plaats van langs de veranda of de garage weer binnen te komen zoals de andere gezinsleden, belt hij steevast aan om dan iets te zeggen als: ‘Lokale politie, dag mevrouw. U had een dringende oproep gedaan in verband met een overval/geluidsoverlast/een inbraak?’

Er worden van mij getuigenverklaringen afgenomen over onbestaande overvallen en inbraken, waarbij ik uitvoerig de daders moet beschrijven en nog net geen gedetailleerde lijst moet bezorgen van wat er allemaal gestolen is.

En geregeld veranderen de rollen, en ben ik geen kroongetuige meer, maar de crimineel zelf.

Dan trekt hij aan mijn polsen terwijl ik achter de computer zit te werken, ah ja, om me te boeien.

En verder word ik dagelijks minstens twee keer gefouilleerd, waarbij ik eerst mijn armen en benen moet spreid’n (hij beveelt het met precies hetzelfde accent als Andy Peelman van De Buurtpolitie) en hij daarna met zijn kleine handjes in mijn broekzakken wriemelt op zoek naar gevaarlijke wapens. En dat kietelt altijd, maar als boef mag ik daar niet mee lachen.

Schattig is het wel, maar zou ik hier ooit met weemoed aan terugdenken? Ik betwijfel het.

Een dagje naar zee

Afgelopen dinsdag gingen Marcel, Victor en ik een dagje naar zee. Dat leek een goed idee, want Frank voorspelde schitterend weer en Victor houdt van zand en water. Ideaal, zou je denken.

Ware het niet dat Marcel eigenlijk mee ging om zijn broer, die in Oostende woont, te helpen verhuizen. Hij dacht daarna nog wel vrije tijd te hebben voor een wandeling en een terrasje, maar dat was voor hij wist dat het waterbed van zijn broer nog lang niet leeg was, er niemand anders kwam helpen en je niet eens kon parkeren aan het nieuwe appartement.

De verhuis duurde héél veel langer dan gedacht. En dus zat ik de hele tijd in mijn uppie met Victor op het strand.

Ach ja, zou je denken, dan kun je mijmerend uitkijken over de zee, of iets lezen of zo. Uhu. Had gekund, ja.

Ware het niet dat Victor graag kijkt naar Helden van hier: de kust, een tv-programma over redders en andere hulpdiensten in Oostende. En in dat programma geraken elke keer kindjes kwijt van hun moeder, waardoor er met man en macht gezocht moet worden en er daarna een emotioneel weerzien volgt.

Victor was dat natuurlijk niet vergeten. Niet dat hij zo bijzonder goed onthoudt hoor, want waar hij zijn sokken heeft gelaten, of zijn dienstwapen, dat weet hij meer dan de helft van de tijd niet meer.

Maar vermiste kindjes, daar heeft hij aandacht voor. En ook al is er op een dinsdag in juni overdag geen kat op het strand, droeg hij een UV-vestje met fluogele mouwen dat zelfs van heel ver nog wat pijn doet aan je ogen en is hij sowieso een heel voorzichtig kind dat nooit uit zichzelf ver weg zou gaan, toch was hij er niet helemaal gerust in dat hem niet hetzelfde lot beschoren zou zijn.

En dus keek hij bijna obsessief vaak terug naar mij als hij eens een beetje verder weg ging, en hij zwaaide ook steeds, en dan moest ik natuurlijk terugzwaaien.

En toen hij naast mij een zandkasteel bouwde, moest ik ijverig helpen. En alleen een emmertje water gaan halen bij de zee was ook maar eng.

Verder moest ik verschillende keren timen hoe snel hij naar de zee en terug kon rennen. Te snel naar mijn zin, sowieso.

Hij babbelde ook weer ontzettend veel, ik weet ook niet waar hij de inspiratie blijft halen.

En ui-te-raard was hij weer van de politie, en moest ik een paar keer gearresteerd worden, want er waren geen andere boeven beschikbaar. Maar als die er wel waren geweest, was hij toch te verlegen geweest om ze in de boeien te slaan.

’s Avonds kreeg ik het koud, maar Victor niet, want die had geen grofgebreid katoenen truitje aan waar de wind los door blies zoals ik, maar een lekker warme hoodie. En dus voelde hij niet veel voor een wandelingetje op de warmere dijk, maar bleef hij liever in dat tochtgat van een strand.

Negen uur lang heb ik met dat kind op het strand gezeten, lieve lezer, met een onderbreking van een klein uurtje waarin we met Marcel en zijn broer iets aten op een terrasje.

Het duurde allemaal veel te lang naar mijn zin, en daarbij kwam nog dat Robin en Leon intussen al uren alleen thuis waren.

Gelukkig heeft Robin een smartphone en konden we appen en bellen. Zo liet hij me weten hoeveel schermtijd Leon wel niet nam, zeg. En ook dat er iets was met het warm water en hij niet kon douchen, wat jammer toch. Dat hij in plaats daarvan al chips etend door het huis had gewandeld, vertelde hij niet, maar dat ontdekten we zelf toen we rond middernacht eindelijk weer thuis waren, Marcel fysiek uitgeput door de verhuis, ik mentaal uitgeput door Victor en Victor zelf heerlijk klaarwakker, want die had de hele weg naar huis geslapen. Aargh.

Maar goed, voor Victor was het wel echt een topdag geweest. En zo kan ik deze blog toch nog positief afsluiten, oef zeg.

Seksuele voorlichting

Robin van bijna dertien heeft nogal een brede interesse. En als iets hem interesseert, dan wil hij er graag veel over weten en onthoudt hij ook geweldig goed wat hij erover gehoord, gezien of gelezen heeft.

Van nature houdt hij erg van wetenschappen en techniek, en er zijn nog wel vakgebieden die hij best te pruimen vindt. Maar boeit iets hem niet, dan gaat het er het ene oor in en het andere weer uit. Na vierenhalf jaar huisonderwijs weet ik dat maar al te goed.

En zo verging het ook de seksuele voorlichting die ik de voorbije jaren een paar keer probeerde te geven. Blijkbaar valt dat in Robins ogen niet onder wetenschappen…

Het veranderende puberlichaam, de menstruele cyclus, de menselijke voortplanting, anticonceptie en seks in het algemeen, je zou toch denken dat je als jonge snaak graag wilt weten hoe dat ongeveer zit allemaal. Leon wel hoor, die vond het interessant. Maar Robin staarde de helft van de tijd dromerig voor zich uit, en dat zegt natuurlijk veel.

In ieder geval wou ik het allemaal toch nog eens ter sprake brengen, nu hij echt volop in zijn puberteit zit. Maar omdat ik de laatste tijd blijkbaar echt enorm irritant doe tegen hem en hij alles wat uit mijn mond komt standaard gezeur vindt, vond ik het geen slecht idee om Marcel een poging te laten doen. Hij weet tenslotte uit eigen ervaring wat het is om stilaan een mannenlichaam te krijgen, met alles erop en eraan.

Marcel was meer dan bereid om die belangrijke taak op zich te nemen, en dezelfde dag nog hoorde ik hem aan Robin een halve zin uitleg geven over natte dromen, om daarna ”s morgens word ik wakker met een natte broek’ te kwelen op wat de tonen van Houten kop van Zjef Vanuytsel moesten zijn. Hij is nu eenmaal geen nachtegaal.

In ieder geval is dat niet het soort voorlichting dat ik in gedachten heb voor mijn jongens, en dus kaartte ik het kort daarna nog eens aan, en bracht ik veilig vrijen ook nog maar eens ter sprake, al is dat volgens mij nog láng niet aan de orde hier. Het is te hopen, begot, hij moet nog dertien worden, hè zeg.

Ik kan niet zeggen dat Robin het nu wel allemaal geweldig boeiend vond, en hij deelde mijn mening dat hij daar allemaal helemaal nog niet mee bezig was. Sterker nog, volgens hem ging het zeker nog meer dan vijf jaar duren voor hij interesse zou krijgen in meisjes of jongens (dat laatste was mijn toevoeging, en daarop kreeg ik ‘Waarom denkt gij dat ik gay ben, zeg?’ te horen. Ne mens kan hier niet veel goed doen, zeg ik u.)

Enfin, om die meer dan vijf jaar moest vooral Marcel hartelijk lachen. Ik citeer: ‘Binnenkort loopt gij hier rond als ne bronstige stier, vriend!’

Zou hij uit ervaring spreken? Dat het dan maar niet erfelijk is!