Zes

Afgelopen week werd Victor zes jaar. Zes jaar geleden zaten we hier dus voor het laatst met een vers borelingske in onze armen en donkere wallen onder onze ogen.

Ik had beter toen ook al een blog gehad, dan kon ik nu gaan teruglezen hoe vreselijk vermoeiend die babytijd toch altijd is, en had ik zeker niet meer af en toe toch nog een pietsie beetje zin in nog een lief, klein boeleke. Wat er niet gaat komen, voor alle duidelijkheid.

Maar goed, ik had toen geen blog, want ik had zo goed als geen tijd voor mezelf, en ook helemaal geen fris hoofd. Maar nu heb ik er wel een, en dus kan ik hier schrijven over hoe Victor is, zo rond zijn zesde verjaardag, om later te kunnen teruglezen. Want anders weet ik dat over een paar jaar niet meer, en zou ik misschien zo zot zijn om eens te willen babysitten op een kind van die leeftijd.

Moest ik kort willen zijn, dan zou ik gewoon schrijven dat hij nog altijd in de ban van de politie is.

Maar kort is mijn stijl zo niet. Vraag maar aan Marcel, die geregeld klaagt dat hij lang niet zo veel woorden nodig heeft om hetzelfde te zeggen. Saaie zeurpiet dat hij is. Soms.

Maar goed, het is dus nog steeds allemaal de politie wat de klok slaat hier. Ik weet dat ik het daar al verschillende keren over gehad heb in mijn blog, maar het is nu eenmaal een groot deel van mijn leven geworden, dus het moet maar weer.

Voor zijn verjaardag kreeg Victor een politiepet, een plastieken pistool dat de juiste kleur heeft om voor dienstwapen door te gaan en een politiepak. Dat pak is eigenlijk een pyjama omdat ik geen zweterig verkleedpak wou kopen waar hij dan heelder dagen in zou rondlopen. Maar het ziet er dus wel uit alsof het van de politie is, van de Nederlandse politie dan. Een Belgische versie was niet te vinden, volgens mij een gat in de markt. Victor is zeker niet het enige Belgische kind dat aan niets anders meer kan denken dan aan de politie.

Ik overdrijf echt niet als ik zeg dat hij van ’s morgens tot ’s avonds in zijn rol van politieagent zit. Hij is trouwens geen zes geworden, maar zesentwintig, en hij werkt al zes jaar bij de politie. Het is maar dat je het weet.

Hij staat op, trekt zijn politiepyjama aan, en begint aan een nieuwe dag, vol verantwoordelijkheidszin en motivatie om van de wereld een betere plek te maken. Hij beantwoordt oproepen en gaat naar buiten om achter overvallers, moordenaars en dieven te gaan. In die pyjama dus. Wat zullen de buren wel niet denken, zeg? Ik kan het me eerlijk gezegd niet aantrekken.

Hij blijft nooit erg lang buiten, en in plaats van langs de veranda of de garage weer binnen te komen zoals de andere gezinsleden, belt hij steevast aan om dan iets te zeggen als: ‘Lokale politie, dag mevrouw. U had een dringende oproep gedaan in verband met een overval/geluidsoverlast/een inbraak?’

Er worden van mij getuigenverklaringen afgenomen over onbestaande overvallen en inbraken, waarbij ik uitvoerig de daders moet beschrijven en nog net geen gedetailleerde lijst moet bezorgen van wat er allemaal gestolen is.

En geregeld veranderen de rollen, en ben ik geen kroongetuige meer, maar de crimineel zelf.

Dan trekt hij aan mijn polsen terwijl ik achter de computer zit te werken, ah ja, om me te boeien.

En verder word ik dagelijks minstens twee keer gefouilleerd, waarbij ik eerst mijn armen en benen moet spreid’n (hij beveelt het met precies hetzelfde accent als Andy Peelman van De Buurtpolitie) en hij daarna met zijn kleine handjes in mijn broekzakken wriemelt op zoek naar gevaarlijke wapens. En dat kietelt altijd, maar als boef mag ik daar niet mee lachen.

Schattig is het wel, maar zou ik hier ooit met weemoed aan terugdenken? Ik betwijfel het.

Een dagje naar zee

Afgelopen dinsdag gingen Marcel, Victor en ik een dagje naar zee. Dat leek een goed idee, want Frank voorspelde schitterend weer en Victor houdt van zand en water. Ideaal, zou je denken.

Ware het niet dat Marcel eigenlijk mee ging om zijn broer, die in Oostende woont, te helpen verhuizen. Hij dacht daarna nog wel vrije tijd te hebben voor een wandeling en een terrasje, maar dat was voor hij wist dat het waterbed van zijn broer nog lang niet leeg was, er niemand anders kwam helpen en je niet eens kon parkeren aan het nieuwe appartement.

De verhuis duurde héél veel langer dan gedacht. En dus zat ik de hele tijd in mijn uppie met Victor op het strand.

Ach ja, zou je denken, dan kun je mijmerend uitkijken over de zee, of iets lezen of zo. Uhu. Had gekund, ja.

Ware het niet dat Victor graag kijkt naar Helden van hier: de kust, een tv-programma over redders en andere hulpdiensten in Oostende. En in dat programma geraken elke keer kindjes kwijt van hun moeder, waardoor er met man en macht gezocht moet worden en er daarna een emotioneel weerzien volgt.

Victor was dat natuurlijk niet vergeten. Niet dat hij zo bijzonder goed onthoudt hoor, want waar hij zijn sokken heeft gelaten, of zijn dienstwapen, dat weet hij meer dan de helft van de tijd niet meer.

Maar vermiste kindjes, daar heeft hij aandacht voor. En ook al is er op een dinsdag in juni overdag geen kat op het strand, droeg hij een UV-vestje met fluogele mouwen dat zelfs van heel ver nog wat pijn doet aan je ogen en is hij sowieso een heel voorzichtig kind dat nooit uit zichzelf ver weg zou gaan, toch was hij er niet helemaal gerust in dat hem niet hetzelfde lot beschoren zou zijn.

En dus keek hij bijna obsessief vaak terug naar mij als hij eens een beetje verder weg ging, en hij zwaaide ook steeds, en dan moest ik natuurlijk terugzwaaien.

En toen hij naast mij een zandkasteel bouwde, moest ik ijverig helpen. En alleen een emmertje water gaan halen bij de zee was ook maar eng.

Verder moest ik verschillende keren timen hoe snel hij naar de zee en terug kon rennen. Te snel naar mijn zin, sowieso.

Hij babbelde ook weer ontzettend veel, ik weet ook niet waar hij de inspiratie blijft halen.

En ui-te-raard was hij weer van de politie, en moest ik een paar keer gearresteerd worden, want er waren geen andere boeven beschikbaar. Maar als die er wel waren geweest, was hij toch te verlegen geweest om ze in de boeien te slaan.

’s Avonds kreeg ik het koud, maar Victor niet, want die had geen grofgebreid katoenen truitje aan waar de wind los door blies zoals ik, maar een lekker warme hoodie. En dus voelde hij niet veel voor een wandelingetje op de warmere dijk, maar bleef hij liever in dat tochtgat van een strand.

Negen uur lang heb ik met dat kind op het strand gezeten, lieve lezer, met een onderbreking van een klein uurtje waarin we met Marcel en zijn broer iets aten op een terrasje.

Het duurde allemaal veel te lang naar mijn zin, en daarbij kwam nog dat Robin en Leon intussen al uren alleen thuis waren.

Gelukkig heeft Robin een smartphone en konden we appen en bellen. Zo liet hij me weten hoeveel schermtijd Leon wel niet nam, zeg. En ook dat er iets was met het warm water en hij niet kon douchen, wat jammer toch. Dat hij in plaats daarvan al chips etend door het huis had gewandeld, vertelde hij niet, maar dat ontdekten we zelf toen we rond middernacht eindelijk weer thuis waren, Marcel fysiek uitgeput door de verhuis, ik mentaal uitgeput door Victor en Victor zelf heerlijk klaarwakker, want die had de hele weg naar huis geslapen. Aargh.

Maar goed, voor Victor was het wel echt een topdag geweest. En zo kan ik deze blog toch nog positief afsluiten, oef zeg.

Seksuele voorlichting

Robin van bijna dertien heeft nogal een brede interesse. En als iets hem interesseert, dan wil hij er graag veel over weten en onthoudt hij ook geweldig goed wat hij erover gehoord, gezien of gelezen heeft.

Van nature houdt hij erg van wetenschappen en techniek, en er zijn nog wel vakgebieden die hij best te pruimen vindt. Maar boeit iets hem niet, dan gaat het er het ene oor in en het andere weer uit. Na vierenhalf jaar huisonderwijs weet ik dat maar al te goed.

En zo verging het ook de seksuele voorlichting die ik de voorbije jaren een paar keer probeerde te geven. Blijkbaar valt dat in Robins ogen niet onder wetenschappen…

Het veranderende puberlichaam, de menstruele cyclus, de menselijke voortplanting, anticonceptie en seks in het algemeen, je zou toch denken dat je als jonge snaak graag wilt weten hoe dat ongeveer zit allemaal. Leon wel hoor, die vond het interessant. Maar Robin staarde de helft van de tijd dromerig voor zich uit, en dat zegt natuurlijk veel.

In ieder geval wou ik het allemaal toch nog eens ter sprake brengen, nu hij echt volop in zijn puberteit zit. Maar omdat ik de laatste tijd blijkbaar echt enorm irritant doe tegen hem en hij alles wat uit mijn mond komt standaard gezeur vindt, vond ik het geen slecht idee om Marcel een poging te laten doen. Hij weet tenslotte uit eigen ervaring wat het is om stilaan een mannenlichaam te krijgen, met alles erop en eraan.

Marcel was meer dan bereid om die belangrijke taak op zich te nemen, en dezelfde dag nog hoorde ik hem aan Robin een halve zin uitleg geven over natte dromen, om daarna ”s morgens word ik wakker met een natte broek’ te kwelen op wat de tonen van Houten kop van Zjef Vanuytsel moesten zijn. Hij is nu eenmaal geen nachtegaal.

In ieder geval is dat niet het soort voorlichting dat ik in gedachten heb voor mijn jongens, en dus kaartte ik het kort daarna nog eens aan, en bracht ik veilig vrijen ook nog maar eens ter sprake, al is dat volgens mij nog láng niet aan de orde hier. Het is te hopen, begot, hij moet nog dertien worden, hè zeg.

Ik kan niet zeggen dat Robin het nu wel allemaal geweldig boeiend vond, en hij deelde mijn mening dat hij daar allemaal helemaal nog niet mee bezig was. Sterker nog, volgens hem ging het zeker nog meer dan vijf jaar duren voor hij interesse zou krijgen in meisjes of jongens (dat laatste was mijn toevoeging, en daarop kreeg ik ‘Waarom denkt gij dat ik gay ben, zeg?’ te horen. Ne mens kan hier niet veel goed doen, zeg ik u.)

Enfin, om die meer dan vijf jaar moest vooral Marcel hartelijk lachen. Ik citeer: ‘Binnenkort loopt gij hier rond als ne bronstige stier, vriend!’

Zou hij uit ervaring spreken? Dat het dan maar niet erfelijk is!

Fijnproevers

Robin, mijn eerste kind, smulde als peuter van olijven en zongedroogde tomaten en deed je als kleuter op restaurant meer plezier met een slaatje garnaal dan met frieten en kipnuggets.

Hij eet graag en veel en heel gevarieerd en er zijn maar een handvol dingen waar hij niet erg vrolijk van wordt. Choco bijvoorbeeld, en pannenkoeken, en koffiekoeken. Ik weet ook niet wat ik daarvan moet denken.

Victor is ook een heel gemakkelijke eter, al heeft hij een maag als een erwt en zijn de hoeveelheden niet om over naar huis te schrijven. Maar we kunnen op een paar vingers tellen wat hij echt niet graag lust, en hij staat ook echt open om nieuwe dingen te proeven.

In ieder geval had ik mezelf op de borst kunnen kloppen en dat goede eten aan mijn opvoedkwaliteiten toe kunnen schrijven. Of aan de borstvoeding, waardoor ze al van in het begin aan verschillende smaken blootgesteld werden. Of aan de fijne sfeer aan tafel, want we eten altijd gezellig samen.

Gelukkig deed ik het niet.

Want Leon, die op dezelfde manier opgevoed wordt, ook borstvoeding kreeg en nota bene een grote broer had die het perfecte voorbeeld gaf, tja, die begon rond zijn tweede verjaardag zijn neus op te halen voor alles wat hij nooit eerder geproefd had, en hij schrapte ook heel wat voedingsmiddelen die hij eerder wél at.

Ik wist niet wat me overkwam, en ik weet het negen jaar later eerlijk gezegd nog steeds niet goed.

Ik mag wellicht niet klagen, want hij lust het meeste fruit wel, en rauwe groenten zónder dressing, en bruin brood en nog wel wat gezonde dingen. En ook heel wat ongezonde dingen, wees gerust. Choco, pannenkoeken of koffiekoeken? Geen probleem.

Maar gemakkelijk is het niet, zo’n kind dat ’s avonds eigenlijk alleen maar echt goed eet als de pot spaghetti, frieten of pizza schaft.
Dat in een broodjeszaak alleen maar een droog broodje wil, want hij lust geen hartig beleg en alleen groenten op een broodje, nee, dat kan toch niet.
Dat op de uitgebreide menukaart van een restaurant alleen maar frieten uitkiest met eventueel een gefrituurde snack, want restaurantspaghetti zal hij zeker wel niet lusten, en al de rest is gewoon ronduit vies.
Dat twijfelt of hij wel naar het verjaardagsfeestje van een vriendje zal gaan, want die vertelde enthousiast dat ze hamburgers gingen eten, en dat is ook al niks voor hem.

Maar goed, hij groeit en ontwikkelt zich goed. En het gaat langzaamaan beter. Hij komt er wel. Ooit.

Met ieder kind is er natuurlijk wel iets, en bij het herlezen van deze blogpost vond mijn moederhart toch dat er ook iets positiefs over mijn lieve Leon geschreven moest worden. Want het is wel echt een schatje, hoor.

Zo maakte hij voor Moederdag een boekje waarin hij in het Engels uit de doeken doet hoe graag hij me wel niet ziet en hoe supercool ik wel niet ben, zeg. Ik ben er echt oprecht blij mee.

Voor de volledigheid: van Robin kreeg ik niks (‘Ja, ik wist toch niet wat ik moest maken, hè.’) en Victor, die vond dat zijn tekening mislukt was, bood me vijftig cent aan uit zijn spaarpot, die ik overigens beleefd weigerde. Iets zegt me dat die twee later heel romantische partners gaan zijn…

De ochtenden

Een doordeweekse dag, zes uur ’s morgens. Robins wekker loopt af en wij horen het gezoem tot in onze slaapkamer.
Victor slaapt.

Robin stommelt zijn bed uit en bonkt de trap af. Hij doet een luidruchtige plas.
Victor slaapt.

Robin neemt een uitgebreide douche in de badkamer, die tegenover onze slaapkamer ligt, en stoot er dingen om.
Victor slaapt.

Robin rommelt in de keuken en wil ontbijten, maar merkt dat het brood nog niet gesneden is (en nee, dat doet hij niet zelf, joh). Hij komt het met een diepe bromstem melden. Marcel staat zuchtend op.
Victor slaapt.

Robin gaat naar buiten om zijn dieren te verzorgen en laat de deur achter zich dicht vallen.
Victor slaapt.

Stipt om half acht gaat het elektrische rolluik van de slaapkamer automatisch en met veel lawaai omhoog. De zon schijnt meteen volop binnen en de kamer baadt in het licht.
Victor slaapt.

Rond tien voor acht roept Marcel Leon wakker, van onderaan de trap.
Victor slaapt.

Pas als ik me heel voorzichtig uit bed hijs om toch ook maar aan de dag te beginnen, wordt hij wakker, meestal binnen de tien seconden. En dus blijf ik vaak tot het allerlaatste moment liggen. Alles voor de nachtrust van mijn kind, dat spreekt voor zich…

Maar elke zaterdag- en zondagochtend, ergens tussen zes en half zeven, als het muisstil en donker is in huis, dan wordt meneer wakker. En begint te kwebbelen.

Élk weekend opnieuw, begot! Aargh! Enfin ja, ik mag niet klagen zeker, in vergelijking met veel andere ouders? Maar ik doe het toch, hoor, het is tenslotte míjn blog. Aargh!

Maar goed, zoals je al tussen de regels kon lezen, slaapt hij nog bij ons, die Victor. Iets met een nogal bangig kind en ouders die echt geen zin hebben in gedoe ’s avonds en ’s nachts. En die weten dat het gewoon góed is voor een kind (ook een groter kind, ja!), zo met zijn ouders slapen, ook al is het in onze cultuur niet echt gebruikelijk, en mja oké, het is ook niet altijd even leuk. Maar toch zouden meer ouders het moeten doen als je ‘t mij vraagt.

In ieder geval zijn we er meer dan gerust in dat hij op een dag helemaal vanzelf naar een eigen kamer gaat vragen, net zoals zijn broers ooit deden. We wachten nog net niet met smart…

Geef mij maar vakantie

De paasvakantie is nog maar net achter de rug, en ik kijk alweer uit naar de zomervakantie. Nochtans hoor ik vaak mensen zeggen dat ze als een berg opzien tegen de schoolvakanties. En dat ze toch altijd blij zijn als de kinderen weer naar school mogen, amai zene.

Ik heb dus net het tegenovergestelde.

Misschien zijn mijn kinderen leuker om in huis te hebben dan de gemiddelde kinderen, ik weet het niet. Wel ja, ik weet het eigenlijk wel. Want ook al komen de helft van hun genen van mij, ze kunnen behalve lief en grappig ook heel irritant, onverdraagzaam en lamlendig zijn. En ze laten hier in huis veel rommel achter, en kruimels.

Dus neuh, het is niet altijd een plezier om hen in huis te hebben. Maar toch vind ik het leuker dan dat ze op school zitten.

Dat komt vooral omdat schoolgaande kinderen een aanslag zijn op mijn zo-eenvoudig-mogelijk leven, waar ik het vorige week over had.

Want we moeten op tijd opstaan en dan vooral niet gaan lanterfanten maar vóórtdoen, en dat is ’s morgens niet altijd gemakkelijk.

En er moet gedacht worden aan zwemzakken en aan al dan niet halfvolle brooddozen die nog in rugzakken zitten, en als iemand zijn jas smerig heeft gemaakt, dan moet die altijd heel snel weer gewassen worden, want ze hebben hier maar een jas en ik blijf erbij dat dat gewoon genoeg moet zijn.

Kleine kanttekening: wil je echt niet dat je kind zijn jas smerig maakt op school, stuur hem dan niet naar een natuurschool. En dat geldt ook voor schoenen. Ik zit er zelf totaal niet mee, trouwens, alleen is het soms niet erg praktisch.

Ook dat de kinderen elke dag opgehaald moeten worden zo in het midden van de namiddag steekt me tegen. Ik ben een zeur, ik weet het.

En dan het huiswerk van Robin, dat hij godzijdank maar heel af en toe heeft, maar dat zeker het vermelden waard is omdat het afgelopen weekend nog eens prijs was. Want hij had Frans te doen, en dat is niet zijn lievelingsvak, om het belachelijk zacht uit te drukken.

En dus had hij buikpijn, en deed zijn pols zeer (en dus kon hij er niet mee schrijven, ah nee, natuurlijk niet), en voelde hij zich gefrustreerd en boos, en het weekend duurde al maar twee dagen en dan moest hij nog tijd besteden aan Frans en daar kon hij écht niet tegen en nee, dat hij het had laten liggen tot zondagavond was misschien niet erg slim, maar dat was ook helemaal zijn schuld niet, hoor! Wat denken jullie wel, zeg!

Laat ons zeggen dat ik gisterenavond wel weer extra blij was dat hij naar school gaat, want zulke tirades hebben we hier genoeg gehad toen hij nog thuisonderwijs deed. En op school doet hij het allemaal wel gewoon, en zijn ze lyrisch over hem.

Maar goed, ik verkies dus de vakanties. Waarin iedereen lekker thuis is, want daar zijn we (meestal) nog gewoon het liefst. Waarin we het allemaal rustig aan kunnen doen. Waarin Victor al eens geëntertaind wordt door een of meerdere broers, en dat is altijd mooi meegenomen. Waarin Leon het vaak niet eens de moeite vindt om zijn kleren aan te doen (al een geluk dat hij niet in zijn blootje slaapt). Tenzij het mooi weer is, want dan wordt er buiten gespeeld met de buurkinderen.

Nog negeneneenhalve week en het schooljaar is voorbij. Misschien wil Victor wel een aftelkalender maken als knutselproject. Al hoor ik hem in gedachten al ‘hoeft niet hoor, mama’ zeggen…

Dat eten ook altijd

Ik haat alles wat met eten te maken heeft, behalve het opeten zelf. Wel ja, haat is een groot woord, maar bedenken wat we gaan eten, boodschappen doen, koken, bakken of zelfs een simpel lunchpakket maken, ik doe dat allemaal niet graag.

De trouwe lezer van deze blog zou zich gaan afvragen wat ik begot wél graag doe, maar dat is stof voor een ander stukje.

In ieder geval moet er hier natuurlijk elke dag drie keer gegeten worden, en dan tel ik de in Robins geval talloze snacks nog niet mee, en van altijd maar boterhammen wordt niemand vrolijk.

Deze week deed ik een extra inspanning. Afgelopen dinsdag bakte ik bananenbrood, maar ik noemde het bananencake, omdat dat aantrekkelijker overkomt.

Het werd een voedzame, gezonde cake, en dat zou ideaal geweest zijn, ware het niet dat ik de enige was die er enthousiast van werd.

Oké, hij proefde niet echt naar cake (dat wist ik natuurlijk op voorhand, maar de kinderen misschien niet). Hij was ook lang niet gerezen zoals het zou moeten. En Marcel kreeg er zowaar een beetje buikpijn van, of die indruk had hij toch.

Enfin ja, de kinderen en Marcel sloegen mijn aanbod voor nog een stukje min of meer beleefd af, dus dat was dat.

Laat ons zeggen dat het me niet bepaald zin gaf om nog eens het beste van mezelf te gaan geven in de keuken.

Maar toch maakte ik gisteren nog eens mijn befaamde spaghettisaus, die iedereen graag lust, maar waar Marcel, jawel, wel een beetje buikpijn van krijgt. Het zij zo.

Natuurlijk is spaghettisaus maken niet zo’n hard labeur, en al zeker niet als je er diepvriesgroenten en gepelde tomaten uit blik voor gebruikt. Maar ik had hoofdpijn en wou veel liever in de zetel gaan hangen, en dus was ik best trots op mezelf toen de saus heerlijk op de inductiekookplaat stond te pruttelen en ik er alleen nog maar af en toe in hoefde te roeren.

Dus toen Marcel even langskwam, rook ik ostentatief aan de saus, zoals rat Rémy uit Ratatouille:

Dat is mijn soort humor, ik maak het maar niet mooier dan het is.

De saus was natuurlijk heerlijk, en ik had ook speciaal heel veel gemaakt. Na het eten vroeg Marcel eerst met een onschuldig gezicht of de rest van de saus weg mocht (zijn soort humor), maar daarna verdeelde hij wat er nog over was over twee potten, voor in de koelkast en in de diepvries.

Maar eerst moest de saus natuurlijk afkoelen. En daarom zette hij de twee potten in onze met water gevulde spoelbak. Zonder daar ook maar tegen iemand iets van te zeggen.

Fast forward een uurtje of wat, en Victor, die net een paaseitje gegeten had, wilde graag zijn handjes wassen.

‘Er ligt wel nog saus in de spoelbak, mama.’

Ik dacht dat hij bedoelde dat er nog een veeg saus in de spoelbak hing, van iemand die zijn bord slordig had afgespoeld. Geen momént, lieve lezer, kwam het in mij op dat er wel eens twee volle potten heerlijke saus in de spoelbak zouden kunnen staan. En ik ben ook niet rechtgestaan om te gaan kijken wat hij bedoelde, nee.

‘Da’s niet erg jongen, was je handen maar.’

Mag je van een vijfjarige niet verwachten dat hij zelfs na die geruststelling van zijn moeder, die hij uiteraard blindelings vertrouwt, toch zelf ook nog eens nadenkt en misschien eens dubbelcheckt? Blijkbaar niet…

Toen Marcel een half uur later in de keuken passeerde en in een van de potten saus-met-water-en-zeep ontdekte, vond hij het nog grappig ook. Hij moest zich schamen!

Tot mijn grote opluchting was een van de potten ongedeerd, en dus is het eten voor vanavond al half klaar. En Marcel mag de spaghetti koken voor erbij, dat zal hem leren!

Eenvoudig leven

Een moeder aan de haard die blogt over minimalisme, huisonderwijs en ouderschap.

Wie me niet kent, zou zich een vrouw voor ogen kunnen halen die als hobby geitenwollen sokken breit en elke avond uitgebreid en vers kookt. Die als een tweede Tante Kaat elke vlek uit een kledingstuk krijgt en een uitgebreide poetsroutine heeft waarin ook klussen als de gordijnen wassen en de dampkapfilter uitkuisen op geregelde tijden aan bod komen. Die elke dag zorgt dat haar kinderen hun reken- en taaloefeningetjes maken, om daarna samen een leuke, maar toch leerrijke activiteit te doen zoals koekjes bakken, boswandelingen maken met een natuurgids in de hand of zelf bedachte knutselprojecten uitvoeren.

Wie me wel kent, moet daar alleen maar hard om lachen, geloof ik.

En die moet waarschijnlijk ook hard lachen met dat woordje ‘minimalisme’ in combinatie met ons huis. Want bij minimalisme denken veel mensen aan huizen met witte muren en heel weinig spullen. Ons huis heeft wel grotendeels witte muren (met vuile vingers erop, dat wel), maar spullen hebben we echt nog wel genoeg, vooral in de kelder. Want Marcel is geen minimalist, en dat gaat zo gauw niet veranderen, denk ik.

Ik had ook voor ‘eenvoudig leven’ kunnen kiezen in plaats van voor dat minimalisme, maar dan zou je kunnen denken dat we zelf onze tandpasta maken, onze kleren naaien en al onze groenten uit onze moestuin halen.

Nee dus, en ook geen ambities in die richting, dank je wel.

Met eenvoudig leven bedoel ik eigenlijk vooral zo gemakkelijk en rustig mogelijk leven, met zo weinig mogelijk verplichtingen.

En daar is Marcel ook wel voor te vinden.

We bakken zelf brood (Marcel eigenlijk, en met een broodmachine hoor, het is niet dat hij zelf staat te kneden en met zo’n lange houten spatel brood in en uit de oven schuift) omdat we dat minder vervelend vinden dan quasi dagelijks naar de winkel te moeten voor brood.

De kinderen doen maar één hobby in clubverband, omdat ze zelf ook graag ongestoord hun ding thuis doen. En ook omdat wij als ouders geen zin hebben om ze steeds maar te brengen en te halen.

We gaan geregeld uit eten (of naar het frietkot in coronatijd) omdat we dat leuk vinden, en omdat we écht niet houden van koken.

En, wat Marcel wat minder vindt: ik wil zo veel mogelijk spullen uit huis, zodat we alleen maar moeten managen wat we echt gebruiken. En alles ook feilloos weten liggen.

Aan dat laatste is nog wat werk, maar er ligt wel al een hoop klaar in de kelder om tweedehands te verkopen of gratis weg te geven. Robin heeft er zelfs al foto’s van genomen, dus we hebben alleen nog maar wat tijd, motivatie en daadkracht nodig om het ook effectief online te zwieren. Binnenkort! Echt!

Gevoelige baasjes

Hoogsensitiviteit. Sommige mensen vinden het een modewoord, een zoveelste onzinnig label. Belachelijk, een zogenaamd gevoelig zenuwstelsel, die ‘flauwe kinderen’ zijn gewoon het resultaat van al dat gepamper in de opvoeding.

Denk ík dat het echt bestaat, zo van die mensen die de wereld en hun gevoelens intenser beleven dan een ander?

En wie hoogsensitiviteit maar onzin vindt, mag hier een kind naar keuze komen lenen, zolang hij er vriendelijk tegen blijft toch.

Gevoelige baasjes zijn het hier dus, alle vier (Marcel ook, ja), en ik moet zelf niet onderdoen.

Ik kan me nog levendig herinneren dat ik met ongeloof keek naar een vierjarig klasgenootje van Robin, dat zich overduidelijk zelf had aangekleed. Hij had zijn broek achterstevoren aan, een broekspijp zat half in zijn sok, zijn hoodie zat helemaal scheef en het zou me niet verbazen als de mouwen van zijn longsleeve, oh de horror, opgestroopt onder zijn trui zaten.

Ik stond echt versteld.

Niet omdat geen van zijn ouders had opgemerkt dat hij zijn jeans achterstevoren aan had, al vond ik dat wel een beetje vreemd.

Niet omdat hij zich zelfstandig kon aankleden, terwijl Robin dat helemaal nog niet kon.

Wel omdat hij zo onbezorgd zat te spelen terwijl zijn kleren niet bepaald goed zaten. Want dat was met mijn kinderen gewoon ondenkbaar. Vooral Robin heeft heel lang veel problemen gehad met hoe zijn kleren zaten.

In die tijd was het een hele klus om een broek te vinden die Robin lekker genoeg vond zitten. Jeans was sowieso uit den boze, want dan zei hij steevast: ‘ik zit vast!’, stretch of niet.

We moesten ook elke ochtend extra tijd uittrekken om zijn sokken aan te doen, want het duurde eeuwen voor die goed genoeg zaten.

En ook al gaat het intussen een stuk beter, toch is vooral het zoeken van een jas voor Robin geen sinecure. Want van veel stoffen krijgt hij koude rillingen en kippenvel. En nieuwe schoenen zitten ook nooit lekker.

Leon en Victor zijn iets gemakkelijker qua kleren, maar er zijn genoeg dingen waarvoor je gevoelig kunt zijn, zo blijkt. De textuur van eten bijvoorbeeld. Het buitenlicht op een zonnige dag (en een zonnebril zit natuurlijk niet lekker). Plakkerige handjes. Het lawaai van het verkeer op een drukke steenweg, of van een huilend broertje.

Ze zijn ook emotioneel gevoelig. Je hebt kinderen die hun schouders ophalen als de juf boos wordt, en je hebt er die met tranen in hun ogen thuis vertellen dat de juf boos is geworden op een klasgenootje, terwijl dat klasgenootje dat zelf niet eens erg vond. Zo zijn de mijne dus.

Nu ja, ze hebben het dus van geen vreemden. Het zou deze blogpost onnoemelijk veel te lang maken als ik uit de doeken zou doen op welke manieren die hoogsensitiviteit zich bij Marcel en mij allemaal uit, maar ik wou jullie deze uitspraak van Victor niet onthouden, die hij onlangs deed toen we het over hoogsensitiviteit hadden:

‘Papa is zeker hoogsensitief want als ik per ongeluk tegen zijn ballen kom, dan krijst hij heel hard.’

Nee, jongen, dan kreunt hij heel hard, of hij vloekt, dat kan ook.

En ik denk dat alle mannen ongeveer zo zouden reageren, dus een echt kenmerk van hoogsensitiviteit is het wellicht niet. Maar een mooie afsluiter van deze blogpost zeker wel :-).

Politie en boef

Ik liet hier al eens eerder vallen dat ik niet graag met mijn kinderen speel. Ook niet met andermans kinderen, trouwens. Een gezelschapsspelletje kan nog net, als mijn hoofd ernaar staat, en dat is meestal niet zo.

Robin en Leon zitten intussen in de fase dat ze sowieso liever met rust gelaten worden door hun ouders, en dat vind ik prima.

Maar aargh, die Victor.

Ik hou niet van Kapla of vliegtuigjes of auto’s (hij wel) en hij houdt niet van tekenen en Playmobil (ik wel). Je zou denken dat het dan ophoudt, maar gelukkig speelt hij de laatste tijd heel graag politie en boef, en dat wil ik nog af en toe meedoen, tegen wil en dank weliswaar.

Hij speelt (of is, de grens is ontzettend vaag, method acting heet dat zeker?) intussen niet meer Koen Baetens, maar wel Tom Vaneetvelde van de Buurtpolitie (‘die is mooier, hè, mama’), en die lijkt iets minder plat te praten, dus we kunnen er alleen maar blij om zijn.

Ik speel bijgevolg bijna altijd boef. En dus hol ik hier geregeld al handenwrijvend en met een gemene boevenlach op mijn gezicht door huis en tuin, op de voet gevolgd door een mannetje van ongeveer een meter (‘maar ik ben wel vijfentwintig jaar, hè!’) dat ondertussen met veel overgave roept dat hij van de politie is en dat ik mijn handen zichtbaar moet houden.

Je zou denken dat het gaat vervelen (inderdaad!) en Victor was vast bang dat ik er de brui aan zou geven, want onlangs mocht ik zelfs verschillende rollen spelen.

Eerst was ik de boef die hem neerschoot, waarna hij verschillende keren met zijn lijfje schokte om vervolgens slap op de grond neer te vallen. En dat terwijl hij alleen maar in zijn arm geraakt was, ah ja, want hij had immers zijn bodywarmer aan. Euh, kogelwerende vest, bedoel ik.

En toen vroeg hij: ‘Is het goed dat je nu de dokter bent?’
Eigenlijk niet, maar goed, ik deed een poging. Ik stelde hem enkele vragen, waarop hij met zwakke stem antwoordde, om daarna in zwijm te vallen nog voor ik mijn diagnose had kunnen stellen.

Toen ik even later aangaf dat ik naar een andere patiënt moest en dat de verpleegsters hem wel goed zouden verzorgen, vroeg hij: ‘Is het goed dat je nu de verpleegster bent?’ Wist hij veel dat ik niet van het verzorgende type ben en dat verpleegsters ook papierwerk hebben.

Al heel snel volgde: ‘Is het goed dat het nu een maand later is en dat ik genezen ben?’
Ja, vriend, vind ik prima, dan heb ik tijd om je in te schrijven in de showbizzschool, want je acteert begot al beter dan die mannen van de Buurtpolitie.

Maar goed, zo’n politieman in huis hebben, dat is af en toe erg apart. Er komen uitspraken voorbij als:

‘Ik ga mee voor de veiligheid.’
Bedankt, kind, het is dan ook ontzettend gevaarlijk om naar de supermarkt te gaan.

‘Ik heb daar een lichaam aangetroffen.’
Tiens, ik zie daar vooral veel speelgoed liggen. Zoudt ge nekeer ni opruimen?

‘U bent een brave burger.’
Jep, ben ik inderdaad. Je zou beter iemand anders zoeken om boef te spelen.

‘Het is een van de zware mannen, geen kruimeldief.’
Een kruimeldief zou nochtans van pas komen, er ligt begot een halve boterham onder je stoel.

‘Ben ik hier in de Caviastraat?’
Doe niet alsof je ons adres niet kent, en ze hadden het over de Acaciastraat in de Buurtpolitie…

‘Ik zie braaksporen.’
Ik dacht dat er iemand overgegeven had, maar hij bleek inbraaksporen te bedoelen.

En de laatste tijd telkens als we thuiskomen, en wij allemaal langs de garage binnengaan zoals altijd, maar hij aan de voordeur aanbelt:
‘U had ons gebeld in verband met een overval?’
Ja, inderdaad, en ik heb de overvallers langs de tuin zien ontsnappen, die kant uit!

Gelukkig hebben we een grote en ook ietwat verwilderde tuin, waarin overvallers zich makkelijk kunnen verstoppen, en Victor leeft zich zo in, dat hij niet vlug opgeeft. En dus zijn wij weer even gerust. Hoera!