Socialisatie bij thuisonderwijs: heeft een kind school nodig om sociaal te worden?

Met inzichten van Gordon Neufeld, Gabor Maté en John Holt

Kinderen van verschillende leeftijden spelen samen bij een waterspeelplaats in het park

Dinsdagochtend in de supermarkt. Een kennis ziet me met Victor, mijn zoon van tien. ‘Geen school vandaag?’

Victor schudt zijn hoofd. ‘Ik doe thuisonderwijs.’

Haar wenkbrauw gaat omhoog. Haar blik zoekt de mijne. En dan komt het. Ik zeg het nog net niet met haar mee.

‘Oeioei, en wat dan met de socialisatie?’

Als je thuisonderwijs geeft, heb je die vraag gegarandeerd al tien keer gehoord. Van familie. Van de buurvrouw. Van die kennis die haar meestal ongefundeerde mening graag met iedereen deelt.

Want veel mensen denken dat een kind zonder klasgenoten automatisch een sociaal onhandige zonderling wordt. Iemand die later met moeite een baan vindt en geen vrienden heeft.

Oké oké, ik overdrijf misschien een beetje. Maar algemeen wordt wel aangenomen dat kinderen school echt nodig hebben om zich sociaal goed te ontwikkelen.

Spoiler: daar is alvast geen overtuigend bewijs voor.

Onderzoek geeft geen reden om aan te nemen dat kinderen die thuisonderwijs krijgen automatisch sociaal achterop raken. Sommige studies vinden zelfs positieve verschillen, al is het onderzoek niet sterk genoeg om daaruit te besluiten dat thuisonderwijs op sociaal vlak beter is.

Maar wat hebben kinderen dan wél nodig om zich sociaal goed te ontwikkelen?

Daar wordt het werk van ontwikkelingspsycholoog Gordon Neufeld, arts en auteur Gabor Maté en onderwijsdenker John Holt interessant. Hoewel ze elk vanuit een andere invalshoek naar kinderen kijken, leggen ze veel nadruk op de rol van volwassenen, relaties en de omgeving waarin kinderen opgroeien en leren.

Hun ideeën hebben mijn eigen kijk op kinderen en thuisonderwijs sterk beïnvloed.

In dit artikel leg ik uit wat socialisatie eigenlijk is, wat kinderen nodig hebben om zich sociaal te ontwikkelen en waarom je echt niet bang hoeft te zijn dat een kind zonder klas elke dag een beetje meer in een wereldvreemde kluizenaar verandert.

Dit komt aan bod:

Wat is socialisatie?

Wat heeft een kind nodig om sociaal zijn weg te vinden?

Het grote misverstand over socialisatie

Hoe leren kinderen het best socialiseren?

Wat biedt school voor socialisatie – en wat niet?

Peer orientation: als leeftijdsgenoten te belangrijk worden

Voordelen van thuisonderwijs voor socialisatie

Wat is socialisatie?

Veel tijd met leeftijdsgenootjes doorbrengen, toch?

Nope.

Socialisatie is het proces waarbij een kind leert functioneren tussen andere mensen en in de samenleving. Het leert communiceren, relaties aangaan, rekening houden met anderen, sociale regels begrijpen én zijn eigen plek vinden.

Of, in mijn eigen iets minder wetenschappelijke woorden: leren een evenwichtig mens te worden.

Geen Karen die eist om met de manager te spreken. Geen onbeleefderik die met zijn vingers knipt om de ober te roepen. Geen treinreiziger die luid telefoongesprekken voert in de stiltewagon.

Wel een fijn mens om mee om te gaan, dat ook zichzelf niet uit het oog verliest.

En daarvoor moeten kinderen verschillende vaardigheden leren. Lees maar:

Wat heeft een kind nodig om sociaal zijn weg te vinden?

Emotieregulatie

Het zoontje van een vriendin vroeg me eens een bordspelletje met hem te spelen. Ik stemde toe, maar kreeg daar een beetje spijt van toen de sfeer steeds gespannener werd naarmate het er meer en meer naar uitzag dat ik zou winnen.

Dat gebeurde uiteindelijk niet. Ik bleek door het oog van de naald te zijn gekropen.

Want mijn vriendin vertrouwde me toe dat ze hem een paar weken eerder letterlijk van een paar straten verder boos hoorde huilen toen hij in de tuin van een familielid wél verloor. Bijna een uur lang.

Was het zoontje van mijn vriendin een dramaqueen? Nee. Kinderen zijn nog volop bezig met het leren reguleren van hun emoties. En een spelletje verliezen voelde voor hem op dat moment bijna als het einde van de wereld.

Gelukkig kon zijn moeder haar emoties wél reguleren, en als zij in de buurt was, hielp ze hem met de zijne.

Dat deed ze niet door te zeggen dat hij moest stoppen met wenen omdat het toch zo erg niet was, zeg. Want daarmee hielp ze hem niet om met die grote emoties om te gaan.

Wat deed ze dan wel?

Eerst en vooral bleef ze zelf rustig. Want boos worden was uiteraard verre van constructief.

Daarnaast hielp het om nabijheid en troost te bieden, en om woorden te geven aan de emoties: ‘Je voelt je heel teleurgesteld omdat je verloren bent. Dat snap ik, het is veel fijner om te winnen. Als je een knuffel wilt: ik zit hier naast je.’

Was dat altijd makkelijk? Nee. Kostte het tijd? Ja, begot, en veel ook.

Haar zoon is intussen dertien en speelt nog altijd graag spelletjes. Maar zijn tegenspelers hoeven niet meer zenuwachtig te zijn dat ze misschien gaan winnen.

Empathie en inleveringsvermogen

Toen mijn oudste zoon Robin twee was, hoorden we eens een baby hartverscheurend krijsen in een kinderwagen. De ouders maakten geen aanstalten om hun kindje te troosten.

Ik hoopte dat mijn peuter later een responsievere ouder zou worden, en ik vroeg hem wat hij zou doen als het zijn kindje was.

‘Weggaan. Het maakt echt veel lawaai.’

Ik had het kunnen weten natuurlijk. Je echt kunnen verplaatsen in een ander is op je tweede duidelijk nog een werk in uitvoering.

Robin is nu zeventien, en toen zijn babynichtje onlangs huilde en de ouders haar even lieten begaan (laat ik voor de lieve vrede in het midden houden wat ik daarvan vond), zei hij wel tegen mij: ‘Er weent een baby en niemand doet iets.’ Aha! Hij is op goede weg!

Communicatievaardigheden

Mijn man Marcel en ik hebben een tijdje getwijfeld of we wel voor een derde kindje zouden gaan. Maar dan keken we naar onze twee oudste jongens, die de allerbeste vrienden waren en altijd fijn met elkaar speelden, en beeldden ons glimlachend in dat die derde er naadloos bij zou passen.

Ik was amper zwanger en Robin en Leon konden elkaar plots niet meer ruiken of zien.

Ze maakten ruzie, konden niets van elkaar verdragen en vochten elkaar nog net de tent niet uit. Enfin, fysiek viel het meestal mee. Maar gezellig was anders.

Zoals zo veel in een kinderleven was het een fase. Eentje die trouwens geregeld terugkwam. En jongste zoon Victor deed na een paar jaar niet onder voor zijn broers.

Ik wil maar zeggen: conflicten rustig uitpraten, luisteren naar elkaar en je grenzen op een normale manier aangeven is ook iets wat kinderen moeten leren. En zoals alle vaardigheden moeten ze geoefend worden.

Ze zijn nu zeventien, zestien en tien. De oudste twee komen intussen redelijk goed overeen. De jongste doet af en toe met opzet irritant (al ontkent hij dat zelf met klem), wat bij de andere twee werkt als een rode lap op een stier.

We zijn er dus nog niet helemaal. Maar ik klaag niet. Of toch maar een beetje.

Zelfcontrole

Toen Robin zes was, kwam er in de klas een politieagent vertellen over verkeersveiligheid. Hij drukte de kinderen op het hart om nooit zomaar de straat op te lopen, maar altijd eerst goed te kijken of er geen auto aan kwam. Links, rechts en dan weer links, dat hele verhaal.

Na het lesje gingen ze met zijn allen naar buiten. De agent herhaalde zijn boodschap: ‘Nóóit zomaar oversteken zonder te kijken!’

En toen riep hij om te testen of zijn les was doorgedrongen: ‘Wie het eerste aan de overkant is, is gewonnen!’

Alle kinderen, op Robin na, spurtten de straat over. Zonder te kijken.

Ik zeg dit niet om op te scheppen – misschien was Robin gewoon niet goed aan het opletten. Maar 23 zesjarigen liepen zomaar op straat. Al een geluk dat de agent rekening had gehouden met die mogelijkheid.

Identiteit en authenticiteit

Mijn jongste zoon Victor verkleedde zich als thuisonderwijskleuter met carnaval ooit als koe.

Als koe, ja. Ik weet ook niet wat hij daar leuk aan vond. Het was een schril contrast met de schoolkinderen die ik als superheld, roofdier of politieman voorbij zag wandelen.

Maar ik was wel blij. Want hij had helemaal zelf kunnen kiezen. Wat híj leuk vond.

Zonder zich af te vragen wat de andere kinderen zouden aantrekken. Zonder te weten dat koeien misschien niet zo stoer zijn als Batman.

Kijk hoe trots hij was:

Kleuter verkleed als koe met carnaval, lachend op blote voeten

Wat al deze vaardigheden gemeen hebben? Kinderen leren ze niet simpelweg door veel uren met andere kinderen in één ruimte door te brengen. Ze ontwikkelen zich geleidelijk, in relatie met andere mensen en door eindeloos te kijken, proberen, mislukken en opnieuw proberen.

En daarmee komen we bij een hardnekkig misverstand over socialisatie.

Het grote misverstand over socialisatie

Oké, jij weet nu precies wat socialisatie is.

En je voelt waarschijnlijk ook al aan je theewater dat je niet elke dag uren tussen andere kinderen hoeft te zitten om je sociaal goed te ontwikkelen.

Maar dat is niet hoe we er doorgaans naar kijken. Veel mensen denken dat dagelijks contact met leeftijdsgenoten juist cruciaal is. En daarom fronsen ze als je vertelt over thuisonderwijs. Want al die contacten op school vervang je toch niet met af en toe een speeldate?

Ik snap het wel, hoor. We gaan uit van wat we kennen. School ís de norm. En wat daarbuiten valt, dat roept vragen op.

Maar het punt is dat heel veel contact met leeftijdsgenootjes op zichzelf geen garantie is voor goede socialisatie.

Betekent dat dat er helemaal geen waarde zit in spelen met leeftijdsgenootjes?

Natuurlijk niet!

Omgaan met andere kinderen kan een verrijking zijn in het leven van je kroost. Maar volgens Neufeld en Maté (slimme mannen, hoor!) hoort die band met leeftijdsgenoten niet de plaats in te nemen van de hechting met ouders of andere betrouwbare volwassenen.

Hoe leren kinderen het best socialiseren?

Goed, als een kind dus niet per se elke dag tussen 25 leeftijdsgenootjes moet zitten om sociaal te worden, hoe leert het dat dan wél?

Volgens Neufeld, Maté en Holt alvast niet door socialisatie als een apart vak te behandelen. 

In hun werk komen een paar ideeën terug die mijn eigen kijk op kinderen sterk hebben beïnvloed.

1. Eerst en vooral: volwassenen
Neufeld en Maté leggen veel nadruk op de band tussen een kind en zijn ouders of andere vertrouwde volwassenen.

Een kind moet weten: als er iets is, kan ik bij jou terecht. Als mijn wereld even instort omdat mijn koek in tweeën breekt, mijn broer naar mij kijkt op een manier die me niet aanstaat of ik ruzie heb met mijn beste vriend: jij bent er.

Vanuit die veilige basis leert een kind steeds beter omgaan met zichzelf én met anderen.

En ondertussen kijkt het natuurlijk naar ons.

Dat is soms een beetje vervelend, want kinderen luisteren lang niet altijd naar wat we zeggen, maar natuurlijk hebben ze het wél altijd gezien als we zelf ongeduldig tegen iemand doen. Wat mij natuurlijk nooit overkomt.

Empathie, rekening houden met anderen, omgaan met frustratie: je kunt er honderd keer over praten, maar uiteindelijk leren kinderen ook heel veel door te zien hoe de volwassenen om hen heen ermee omgaan.

2. Een beetje veiligheid helpt ook
Een kind hoeft heus niet voortdurend zen door het leven te zweven.

Integendeel. Hoe moet het anders ooit leren omgaan met teleurstelling, ruzie of een kleine zus die voor de 37ste keer irritant doet?

Maar er is natuurlijk een verschil tussen af en toe stress ervaren en voortdurend op je hoede zijn.

Prestatiedruk. Gepest worden. Het gevoel dat je er niet bij hoort. Elke dag bezig zijn met wat anderen van je vinden.

Het zijn geen oorlogssituaties, maar als die spanning voortdurend aanwezig is, doet dat wel iets met een kind.

Een omgeving waarin een kind zich meestal veilig en geaccepteerd voelt, geeft veel meer ruimte om te oefenen. Om fouten te maken. Om eens iets stoms te zeggen zonder drie weken wakker te liggen van wat de rest daarvan vond.

3. En dan is er nog gewoon… het leven
John Holt schreef veel over iets wat eigenlijk doodeenvoudig klinkt: kinderen leren niet alleen wanneer iemand besluit dat het tijd is om iets te leren. Ze leren de hele dag.

Door te kijken. Te proberen. Vragen te stellen. Dingen verkeerd te doen en nog eens te proberen. En vooral door gewoon mee te draaien in het leven.

En volgens mij geldt dat net zo goed voor socialisatie.

Je kind leert iets wanneer het zelf bij de bakker een brood bestelt. Wanneer het met een vierjarige speelt en merkt dat die nog niet dezelfde spelregels begrijpt. Wanneer oma een verhaal vertelt dat het al zes keer gehoord heeft en het tóch beleefd blijft luisteren. Of wanneer het aan de buurman moet vragen of die de bal alsjeblieft nog eens terug over de haag wil gooien.

Dat is ook socialisatie.

De echte wereld zit namelijk vol met mensen die niet toevallig in hetzelfde jaar geboren zijn.
Buren, bakkers, kapsters, grootouders, peuters, tieners, trainers, ooms, tantes en die ene vreemde meneer aan de bushalte die opeens zijn hele levensverhaal vertelt.

Allemaal mensen bij wie een kind moet uitzoeken: hoe ga ik hiermee om?

En daar wringt bij scholen het schoentje.

Wat biedt school voor socialisatie – en wat niet?

Laat ik eerst iets duidelijk maken: natuurlijk leren kinderen op school sociale vaardigheden.

Ze maken vrienden. Ze moeten samenwerken met kinderen waar ze eigenlijk het liefst ver vandaan blijven. Ze krijgen ruzie en moeten het weer bijleggen. Ze leren dat niet iedereen hen leuk vindt — en omgekeerd. Allemaal nuttige ervaringen.

Maar veel tijd doorbrengen op school is op zichzelf nog geen garantie dat je uitgroeit tot een sociaal vaardig mens. Was het maar zo simpel.

En sommige typische kenmerken van een school maken een paar dingen die ik hierboven beschreef juist wat moeilijker.

Je hoeft me niet op mijn woord te geloven, hoor. Laten we ze gewoon eens naast elkaar leggen.

Kinderen leren van volwassenen met wie ze een band hebben
Kinderen leren ontzettend veel door naar volwassenen te kijken. Naar mensen die er voor hen zijn, die troosten als het nodig is, grenzen aangeven, helpen als iets moeilijk is en vooral zelf voordoen hoe je met andere mensen omgaat.

Want kinderen kijken veel meer naar wat je doet dan naar wat je zegt. Zoals ik eerder al schreef: soms bijzonder vervelend, maar helaas wel waar.

Zo’n belangrijke volwassene kan natuurlijk ook een leerkracht zijn.

Alleen heeft die leerkracht meestal één klein praktisch probleempje: er zitten nog een heleboel andere kinderen in de klas.

Robin had in het eerste leerjaar bijvoorbeeld een juf die echt een crème van een mens was. Ze had een groot hart voor de kinderen en deed volgens mij oprecht haar uiterste best.

Maar ze had er wel 24.

En één van die kinderen had gedragsproblemen en vroeg enorm veel aandacht. Niet zijn schuld en al helemaal niet die van de juf, maar het gevolg was wel dat er voor de andere 23 kinderen een stuk minder van haar overbleef.

Een leerkracht kan nu eenmaal niet op hetzelfde moment luisteren naar het verdriet van kind één, de ruzie tussen kind twee en drie oplossen, kind vier helpen dat de opdracht niet begrijpt en ondertussen aan kind vijf vragen waarom het al tien minuten onder zijn bank zit.

En ook als alle 24 kinderen voorbeeldig op hun stoel zitten — alsof dat ooit gebeurt — blijven het er behoorlijk veel voor één volwassene.

Kinderen moeten zich voldoende veilig voelen
Het is niet voor niks dat zoveel volwassenen jaren na hun laatste schooldag nog altijd dromen dat ze een examen vergeten zijn. Of te laat komen. Of plots in hun blootje in de klas zitten.
Die laatste heb ik zelf nooit gehad trouwens. Gelukkig maar.

Natuurlijk voelen de meeste kinderen zich niet voortdurend miserabel op school. Veel kinderen gaan zelfs heel graag.

Maar prestatiedruk, pesten, groepsdruk en het gevoel erbij te moeten horen bestaan natuurlijk wel.
En die sociale druk begint soms belachelijk vroeg.

De kleuterjuf van mijn middelste zoon Leon vertelde me eens dat roze de lievelingskleur is van opvallend veel jongetjes wanneer ze voor het eerst naar school komen.

Niet zo gek natuurlijk. Roze is fel. Vrolijk. Mooi dus.

Alleen verandert die voorkeur volgens haar bij veel van die jongetjes binnen een paar weken.
Want dan hebben ze van de andere kleuters geleerd dat roze ‘voor meisjes’ is.

Zucht.

Tweeënhalf jaar oud en de groep begint zich al te moeien met je kleurvoorkeur.

Nu goed, er zijn ergere dingen in het leven dan besluiten dat blauw toch leuker is dan roze. Maar het laat wel mooi zien hoe snel kinderen oppikken wat binnen een groep normaal is. Wat stoer is. Wat raar is. En waarmee je misschien beter niet te veel opvalt.

En dan is er nog het echte leven
John Holt schreef veel over hoe kinderen leren door gewoon deel te nemen aan het leven. Door te kijken, dingen te proberen, vragen te stellen en met andere mensen om te gaan.

En als je erover nadenkt, is een school sociaal gezien eigenlijk een nogal bijzondere plek.

Je neemt 25 mensen die ongeveer even oud zijn, zet ze iedere werkdag samen in dezelfde ruimte en laat ze grotendeels op hetzelfde moment dezelfde dingen doen.

Waar doen we dat later nog?

Op je werk zit je niet alleen tussen mensen die toevallig in hetzelfde jaar geboren zijn. Je vrienden zijn niet noodzakelijk even oud. Je buurman al helemaal niet. Je personal trainer, bakker, kapster, oma en collega evenmin.

In het gewone leven zie je voortdurend mensen met totaal verschillende leeftijden.

Een schoolkind maakt daar natuurlijk óók deel van uit.

Na school, tijdens hobby’s, in het weekend, bij familie… Het is niet alsof schoolkinderen hun grootouders nooit zien of zelf geen brood mogen gaan kopen.

Maar een groot deel van hun week brengen ze wél door in een groep leeftijdsgenoten.

Daar leren ze van alles. Ze sluiten vriendschappen. Ze leren functioneren in een groep. Ze ontdekken dat andere kinderen soms heel anders denken dan zij.

Maar zo’n groep heeft ook zijn eigen dynamiek. Wie hoort erbij? Wie is populair? Wat vinden we cool? Welke schoenen draagt iedereen? Is roze voor meisjes? En hoe hard maak je jezelf belachelijk als je moeder je aan de schoolpoort nog een kus geeft?

Vriendschappen met leeftijdsgenoten kunnen fantastisch zijn. Daar gaat het dus niet om.

Maar wat gebeurt er als de mening van die leeftijdsgenoten zó belangrijk wordt dat ze zwaarder begint te wegen dan die van de volwassenen met wie een kind verbonden is?

Daar hebben Neufeld en Maté een naam voor: peer orientation.

Peer orientation: als leeftijdsgenoten te belangrijk worden

Vrienden zijn belangrijk voor kinderen. Sowieso. Het zou nogal wat zijn als ik na dit hele verhaal zou beweren dat je je kind maar beter ver weg houdt van andere kinderen.

Maar volgens Neufeld en Maté kan er wél een probleem ontstaan als die vrienden zó belangrijk worden dat een kind vooral naar hen begint te kijken voor richting en bevestiging.

Neufeld noemt dat peer orientation.

Of in gewone mensentaal: je vrienden worden je kompas.

Wat vinden zij leuk? Wat vinden zij stom? Welke kleren dragen ze? Wat moet je doen om erbij te horen? En vooral: wat zullen ze van míj vinden?

Op zich allemaal heel normale vragen. Zeker als kinderen ouder worden.

Het wordt pas lastiger wanneer het antwoord van de groep steeds belangrijker wordt dan wat een kind zelf voelt of dan de waarden die het van thuis meekrijgt.

Een jongen in onze buurt wou bijvoorbeeld opeens gaan voetballen bij de plaatselijke club.

Ah ja, want alle jongens van zijn klas voetbalden.

Niks mis mee natuurlijk. Kinderen steken elkaar voortdurend aan met interesses. En misschien had hij wel een verborgen talent en stond hij vijf jaar later bij Anderlecht op het veld.

Niet dus.

Zijn moeder vertelde me dat voetbal écht niks voor hem was. Hij was bang van de bal en rende er de helft van de tijd van weg.

Maar hij bleef wel gaan.

Misschien vond hij het stiekem toch leuk. Kan.

Maar het leek er toch sterk op dat alle jongens uit mijn klas voetballen belangrijker was geworden dan ik vind voetballen leuk.

En dát is het soort verschuiving waar Neufeld het over heeft.

Betekent dat dat school automatisch van ieder kind een slaafse meeloper maakt die alleen nog draagt wat zijn vrienden dragen en luistert naar muziek die hij eigenlijk verschrikkelijk vindt?

Nee gij.

Heel veel schoolgaande kinderen hebben een sterke band met hun ouders en trekken zich gelukkig ook niet alles aan van wat hun klasgenoten vinden.

Maar ze brengen wél heel veel uren met die klasgenoten door. Het zou nogal vreemd zijn als hun mening daardoor níét belangrijk werd.

En daar zit volgens Neufeld en Maté het risico: leeftijdsgenoten kunnen fantastische vrienden zijn, maar ze zijn zelf ook nog volop aan het uitzoeken hoe het leven werkt. Niet meteen de meest geschikte kandidaten dus om het kompas van een ander kind over te nemen.

Leeftijdsgenoten als vrienden? Graag. Maar als opvoeders? Misschien toch maar niet.

En precies daar kan thuisonderwijs een andere sociale omgeving bieden.

Voordelen van thuisonderwijs voor socialisatie

Goed, genoeg over school.

Want wat gebeurt er eigenlijk met die socialisatie als je je kind thuisonderwijs geeft?

Wordt het dan vanzelf een sociaal wonderkind dat moeiteloos met peuters, pubers en gepensioneerden overweg kan?

Dat zou leuk zijn, hè? Maar natuurlijk is dat niet het geval.

Kijk, als je met je kind altijd thuis blijft en nooit iemand ziet, zal dat thuisonderwijs zijn sociale leven niet op magische wijze redden.

Maar thuisonderwijs geeft je wél een paar interessante mogelijkheden.

Veel tijd met ouders
Om te beginnen ben je als thuisonderwijsouder nogal veel bij je kinderen.

Wel ja. Heel veel.

Je maakt hen mee als ze vrolijk en gezellig zijn, en als ze boos, gefrustreerd, verdrietig of geweldig irritant zijn.

En net op die momenten valt er sociaal en emotioneel nogal wat te leren.

Je kunt helpen als je kind compleet overstuur raakt omdat zijn broer iets afpakt. Je kunt ingrijpen als een discussie uit de hand loopt. Je kunt troosten als een vriend iets lelijks heeft gezegd. En je kunt achteraf samen bekijken hoe het misschien anders had gekund.

Niet dat je dat allemaal altijd pedagogisch verantwoord aanpakt natuurlijk. Ik toch niet.

Maar je bént er wel.

Ook de verhouding tussen kinderen en volwassenen is thuis een stuk gunstiger dan in een klas. Je merkt sneller dat er iets scheelt en hebt gemakkelijker tijd om er aandacht aan te besteden.

Tenzij je zou kunnen meedoen aan zo’n tv-programma over extreem grote gezinnen. Dan heb ik niets gezegd.

Andere vertrouwde volwassenen
Gelukkig hoeven je kinderen het niet alleen met jou te doen.

Ook andere volwassenen kunnen een belangrijke rol in hun leven krijgen.

Grootouders. Trainers. Muziekleraren. Buren. Die nonkel die alles van auto’s weet en bereid is drie uur uit te leggen hoe een versnellingsbak werkt.

Omdat thuisonderwijskinderen overdag niet op school zitten, ontstaan zulke contacten vaak best makkelijk.

Toen Victor zes was, stond hij bijvoorbeeld halve dagen tegen onze gepensioneerde buurman te kwebbelen terwijl die op zijn oprit aan zijn oldtimer frutselde.

De beste man heeft geen kinderen of kleinkinderen en vond het oprecht gezellig. Victor vond het dan weer fantastisch dat iemand eindeloos geduldig naar zijn verhalen luisterde.

Win-win. Of eigenlijk win-win-win, want ik kreeg opeens wat tijd vrij.

Nooit heb ik ‘socialiseren met gepensioneerde buurman’ in onze thuisonderwijsplanning geschreven.

Maar achteraf bekeken was het natuurlijk wél socialisatie.

Sociale contacten in het gewone leven
En dan vind ik dit misschien nog het leukste aan thuisonderwijs: kinderen hoeven sociaal niet voortdurend in leeftijdsvakjes te zitten.

Natuurlijk hebben ze vriendjes van hun eigen leeftijd. Maar evengoed eentje dat twee jaar jonger is. Of vijf jaar ouder.

Victor speelt bijvoorbeeld geregeld met een vast groepje van zes kinderen tussen vier en elf jaar.

Thuis is hij veruit de jongste. Handig, want dan heb je twee oudere broers die van alles voor je kunnen doen.

In dat groepje ligt dat anders: daar is hij opeens een van de groteren. Hij helpt de kleintjes, legt dingen uit en neemt soms een soort verzorgende rol op zich.

Vijf minuten later luistert hij zelf weer naar het advies van het oudste kind. Of staat hij met een van de moeders te praten.

Ik vind dat prachtig om te zien.

Niet omdat er iets mis is met spelen met kinderen van precies je eigen leeftijd. Natuurlijk niet.

Maar in zo’n gemengde groep ben je niet altijd de tienjarige tussen de tienjarigen. Bij de ene ben je de grote. Bij de andere de kleine. De ene help je en bij de andere moet je zelf je mond houden en luisteren.

Dat lijkt eigenlijk verdacht veel op het echte leven. En dat is ook socialisatie. Misschien zelfs een vorm waar we veel te weinig aan denken.

Wie zijn Neufeld, Maté en Holt eigenlijk?

Gordon Neufeld is een Canadese ontwikkelingspsycholoog die zich al decennia bezighoudt met hechting en de ontwikkeling van kinderen. Gabor Maté is een Canadese arts en auteur die veel heeft geschreven over onder andere stress, trauma en ontwikkeling.

Samen schreven ze Hold On to Your Kids, een boek over het belang van de band tussen kinderen en de volwassenen die voor hen zorgen. Daar komt ook dat peer orientation vandaan waar ik het hierboven over had: het idee dat het problematisch kan worden wanneer leeftijdsgenoten te veel de rol van kompas gaan overnemen.

John Holt was een Amerikaanse onderwijsauteur en een van de vroege pleitbezorgers van homeschooling en unschooling. Hij schreef uitgebreid over hoe kinderen leren en had, laat ons zeggen, nogal wat bedenkingen bij de manier waarop scholen dat leren organiseren.

Zijn How Children Learn is trouwens een van de boeken die mijn eigen kijk op leren en thuisonderwijs mee gevormd hebben.

Wil je dieper duiken in de ideeën die ik in dit artikel beschreef? Dan zijn Hold On to Your Kids en How Children Learn een prima plek om te beginnen.

Conclusie

Socialisatie is veel meer dan veel tijd doorbrengen met leeftijdsgenootjes.

Het is leren functioneren tussen andere mensen en in de samenleving. Relaties aangaan. Rekening houden met anderen. Omgaan met emoties en conflicten. Je eigen plek vinden zonder jezelf daarbij kwijt te raken.

En dat leer je niet alleen in een klaslokaal of op de speelplaats.

Je leert het bij je ouders, bij vrienden en familie, op de sportclub, bij de buurman die aan zijn oldtimer sleutelt en in dat groepje kinderen waarin je het ene moment de jongste bent en het volgende moment voor een kleuter zorgt.

Thuisonderwijs biedt daar veel ruimte voor. Niet automatisch, want ook een thuisonderwijskind heeft andere mensen nodig. Vrienden. Andere volwassenen. Een wereld buiten zijn eigen gezin.

Maar het idee dat een kind elke dag uren in een klas met leeftijdsgenoten moet doorbrengen om sociaal gezond op te groeien? Daar is geen overtuigend bewijs voor.

Dus de volgende keer dat iemand zijn wenkbrauw optrekt en vraagt: ‘Oeioei, en wat dan met de socialisatie?’, hoef je niet zenuwachtig te worden.
Je kunt gewoon zeggen: ‘Daar besteden we aandacht aan.’

Want uiteindelijk is dat misschien wel de belangrijkste conclusie: niet waar een kind onderwijs krijgt bepaalt hoe goed het socialiseert, maar welke relaties het heeft en welke ervaringen het opdoet.

En dat kan gelukkig op veel meer plaatsen dan alleen op school.

Elke
Moeder aan de haard
Geen haard, geen schort, wél verhalen

Bronnen & verder lezen

Boeken die mijn denken mee gevormd hebben

Gordon Neufeld & Gabor Maté — Hold On to Your Kids: Why Parents Need to Matter More Than Peers

John Holt — onder andere How Children Learn

Onderzoek naar thuisonderwijs en socialisatie

Kunzman, R. & Gaither, M. (2020) — Homeschooling: An Updated Comprehensive Survey of the Research

Medlin, R. G. (2013) — Homeschooling and the Question of Socialization Revisited

Scroll to Top