
Ergens vorige week, in het midden van de dag. Robin, Leon en ik zitten in de zetel. Enfin ja, zij hangen. Soit.
Met gespeeld enthousiasme lees ik voor uit de cursus kunstbeschouwing. Oké nee, ik veins niet eens interesse. Zij ook niet, trouwens.
Het moge duidelijk zijn: het is ons vak niet. De cursus is droog en saai, en de kunstwerken die besproken worden staan er niet eens in afgebeeld, dus we moeten ze steeds zuchtend googelen. En verder hebben ze allebei slecht geslapen door de warmte.
Ik heb intussen genoeg ervaring om te weten dat actieve participatie in die omstandigheden te veel verwacht is.
Maar dat ze op een bepaald moment allebei naast mij lagen te slapen, dát is toch wel een dieptepunt in ons thuisonderwijs.
En tegen dat ik het door had, waren ze best al ver heen, want ze werden niet eens wakker toen ik abrupt stopte met praten. Wel toen ik mijn gsm tevoorschijn haalde voor fotografisch bewijs.

In ieder geval was het blijkbaar helemaal hun schuld niet zeg, dat ze in slaap waren gevallen. Het was gewoon té saai. En ze waren moe, zeg, maar zéker niet te laat gaan slapen hoor!
Tuurlijk, kinderen.
De rest van het hoofdstuk ging alleen maar beter omdat ze er toen wel in slaagden wakker te blijven.
Gelukkig hoefde ik niet compleet te wanhopen, want bij dit vak hoort ook nog een heel stuk filosofie, en dat ging een stuk beter, al vond Leon filosofen ’moeilijke mensen’. Ik kon een knikje niet onderdrukken.
Maar eerlijk is eerlijk: stiekem ben ik toch een beetje blij dat er ook eens iets als dit tussen zit. Om hun horizon wat te verruimen, begot, en ook zodat ze later niet dom uit hun ogen kijken als het eens over Parmenides gaat, of over dadaïsme.
Niet dat ik dat zelf ooit heb meegemaakt, maar ik begeef me misschien niet in de juiste kringen.
Enfin, terwijl ik dit schrijf, zijn ze examen aan het doen. Ik heb er alle vertrouwen in. Nope.
